De besmettelijkheid van armoede en dakloosheid | column

Nung Dam

In de metro van New York zit ik, richting halte Broadway, met een ticket voor de voorstelling ’Hamilton’ op zak, die me behoorlijk wat duiten heeft gekost. Er stapt een jongen in, zonder schoenen, zonder bagage. In zijn kroeshaar zit een frietje vast. Niemand merkt hem op.

Ter hoogte van Grand Street gaat hij staan en spreekt de mensen in de metro aan: „Ik vraag jullie om me te helpen, ik ben niet aan de drugs of alcohol. Van kinds af aan, ik ben nu pas zeventien, ben ik van pleeggezin naar pleeggezin gegaan, ik heb geen enkel familielid meer. Denk maar aan waar jullie waren geweest zonder een netwerk van vrienden en familie, hoe moeilijk het is je staande te houden in een wereld waar je nergens op terug kunt vallen.”

Niets. Alsof het een echo is die door de rammelende metro gaat, een stem die wegsterft zonder bij een medemens te landen. De stad zit vol met onzichtbaren die we liever mijden, alsof armoede en dakloosheid besmettelijk zou zijn.

Ik denk aan de tweehonderd dollar die ik heb neergeteld om straks ’Hamilton’ te zien. Een stuk hoe Hamilton zich als immigrant opwerkt. Gespeeld door voornamelijk acteurs met een immigratieachtergrond. „Immigrants, we get the job done” is een zin uit de voorstelling.

Op het hoofdpersonage na, worden alle witte personages gespeeld door mensen van kleur. Een statement, en op de huid van de tijd, zeggen de recensenten. Helaas alleen toegankelijk voor mensen met een volle beurs, die met een opgesmukt gelaat na afloop klappen en zuchten hoe vreselijk ongelijkheid is.

Dan stapt er een man in de metro, hij kijkt ontheemd om zich heen en trekt zijn Lacoste poloshirt over zijn zwembandjes. „Wat is het heet hier”, puft hij. Hij vraagt in het wilde weg of iemand hem kan helpen. Hij gaat nooit met de metro, zijn Tesla staat bij de garage en hij heeft geen idee waar deze lijn naartoe gaat. Drie mensen springen hem bij, leggen hem de route uit.

Hij bedankt vriendelijk. „Of course”, zeggen ze. De man zoekt een plek om te zitten. Er is nog maar een plek vrij. Naast de jongen die inmiddels het frietje uit zijn haar probeert te pulken. „Kunt u me helpen”, vraagt de jongen aan de man. Maar die staart stoïcijns voor zich uit.

De metro bereikt Broadway. De plek waar ik als kind over droomde. Ik denk aan alle leraren, vrienden, buren die me onderweg hebben geholpen richting een podium waar ik zichtbaar ben geworden. De jongen vraagt niet om die ene dollar, hij vraagt om gezien te worden, om mee te mogen doen, met het spel wat wij het leven noemen.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.