Ben ik wel aardig genoeg? | column

Maaike van der Plas

Tussen klinisch werk in het ziekenhuis en medisch wetenschappelijk onderzoek zijn ontelbaar veel verschillen, dat wist ik wel. Een acute patiënt behandel je anders dan iemand die vrijwillig meedoet aan een studie. Toch verbaas ik me over wat volgens mijn nieuwe onderzoekscollega’s het grootste contrast is tussen de twee werelden: „Wij zijn heel aardig tegen de deelnemers aan onze studies.”

Aanvankelijk vind ik de implicatie dat ik niet aardig ben tegen mijn klinische patiënten enigszins beledigend. Maar nadat ik een paar dagen heb meegelopen met de wetenschappers, moet ik toegeven dat ze een punt hebben. Studiedeelnemers worden vanaf het moment dat ze het ziekenhuis binnenstappen netjes opgehaald en begeleid naar alle onderdelen van de onderzoeksdag.

Ze krijgen een uitgebreide uitleg over elk aspect, waarbij telkens wordt benadrukt dat ze op ieder moment kunnen stoppen met de procedure. Gedurende de dag worden ze voorzien van drinken, een gratis lunch en chocolaatjes als bedankje; ook probeert de onderzoeker hen voortdurend op hun gemak te stellen door oprechte interesse te tonen in hun levens.

Elke hint van ongemak of aarzeling wordt gesignaleerd en besproken, met eventuele aanpassingen van het programma tot gevolg. En dat is volkomen terecht. Studiedeelnemers ondergaan onderzoeken geheel vrijwillig, zonder dat ze er op dat moment direct baat bij hebben. De gezonde controlepatiënten worden bij uitstek gemotiveerd door altruïsme; de deelnemende patiënten door de hoop dat zijzelf of de generaties na hen uiteindelijk beter behandeld kunnen worden voor hun aandoening.

Het contrast met patiënten die met een probleem op de Spoedeisende Hulp of de poli komen, is duidelijk. Zij hebben zelf een specifieke hulpvraag en dan loopt het proces anders. Allereerst moeten patiënten hun eigen weg zien te vinden door het gebouw, met hoogstens wat aanwijzingen van een vrijwilliger. Er staat een koffieautomaat in de wachtkamer, maar die moeten ze zelf bedienen. De uitleg die artsen geven, is volledig als de situatie dat toestaat, maar kan ook geheel worden weggelaten in een spoedsetting.

De laatste klinische ruggenprik die ik bijvoorbeeld heb gedaan, werd niet voorafgegaan door een uitgebreide bespreking van de hele procedure en alle mogelijke complicaties, maar vond plaats bij een ernstig zieke patiënte die nauwelijks bij bewustzijn was en werd vastgehouden door twee verpleegkundigen. Was dat aardig? Misschien niet. Maar het redde wel haar zicht en mogelijk haar leven.

Sinds een paar weken werk ik tijdelijk als arts-onderzoeker en niet in de directe patiëntenzorg. Ook ik begeleid nu studiedeelnemers tijdens hun onderzoeksdagen. Aanvankelijk ben ik er wat zenuwachtig over. Ben ik wel aardig genoeg, na al die jaren als arts? Kan ik over koetjes en kalfjes praten? Ik bereid vragen voor, over of de deelnemers uit de buurt komen, wat voor werk ze doen of hebben gedaan, en hoe ze hun vrije tijd doorbrengen. Maar al snel kan dat materiaal de prullenbak in.

De gezonde vrijwilligers in de studie blijken gerekruteerd via een advertentie in deze krant. Nog voordat ik me kan voorstellen, hoor ik telkens: „De columnist!” Daarna vragen ze hoe het met míj gaat, of ik heb gewielrend dit weekend, wanneer ik weer op vakantie naar Spanje ga, of poes Miek nog avonturen heeft beleefd, en hoe het met mijn vader is („Die had toch ook iets neurologisch?”).

Ik krijg een spoedcursus in aardigheid.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.