Om tien uur ging het licht aan op één hoog en verscheen een dame met ontbloot bovenlijf voor het raam | column

1 / 2
Joost Prinsen

Ik heb nog een oudere herinnering:

Donderdag 30 Juli 1896. Kijkt u het maar na in een oue almanak en u zult zien dat ’t klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?

Zo begint ’De Pleziertrein’, een kort verhaal van Nescio. Als u ’Nescio-Pleziertrein’ googlet leest u het in drie minuten. Moet u even doen want Nescio kon geweldig schrijven. Zijn beschrijvingen van de natuur, doorgaans passages die ik meteen oversla, zijn ongeëvenaard.

Ook ik heb nog een oudere herinnering: dinsdag 7 augustus 1962. Kijkt u maar na op een oue kalender en u zult zien dat het klopt. Bestaan er nog kalenders? En dienstplicht, pruimtabak en fuifjes?

Dienstplicht bestond toen in ieder geval en ik was een van de vele slachtoffers. En mijn oude herinnering ligt in de Snijderskazerne te Nijmegen waar ik mijn rekrutentijd doorbracht.

Wachtlopen was een onderdeel van de opleiding. En omdat de kazerne maar één toegangspoort had, moest er als oefening wacht gelopen worden bij een hek of muur. Een volstrekt zinloze bezigheid temeer omdat de dieven zich meer binnen dan buiten het kazerneterrein ophielden. Later had ik een onzinbaantje op een vliegbasis. Er werd daar veel gesleuteld aan privéauto’s met materiaal van het leger. Als je ’Geef acht’ roept, gaat mijn auto in de houding staan, was een gevleugelde uitdrukking op de basis.

Maar mijn herinnering ligt in Nijmegen. In een wachthokje ergens aan de zijkant van de kazerne langs de Wachterslaan. Kijkt u maar na op een oue plattegrond en u zult zien dat het klopt.

Er gingen verhalen over die plek. Er zou daar aan de andere kant van het hek in een huis op één hoog een dame met blote borsten voor het raam staan. Iedere avond, rond een uur of tien. Maar ja, er werd zoveel verteld door al die jongens die net als ik groen als gras waren.

Op 7 augustus 1962 was het mijn beurt. Ik stond daar op wacht te niksen op een verlaten plek van het terrein en ineens om tien uur ging er licht aan op één hoog. En er verscheen een dame met ontbloot bovenlijf voor het raam. Onbeweeglijk stond ze daar, vijf minuten lang.

Ik had nog nooit een half blote dame gezien, wat wist je nou helemaal in die jaren, en ik heb vijf minuten lang geobsedeerd staan staren.

Waarom deed ze dat iedere avond? Exhibitionisme? Of wilde ze gewoon aardig zijn voor al die schlemielen met hun doelloze soldatenpakje en hun doelloze geweer? Ik hoop vurig het laatste.

Ik denk nog wel eens aan die vrouw. Weemoed ook natuurlijk. Zoals Nescio die zo prachtig verwoordde in diezelfde Pleziertrein: „De zoete pijnlijke en onbegrepen weemoed dat het voorbij was en dat donderdag 30 juli 1896 nooit meer komen zou. Een vreemd gevoel van onvergankelijkheid.”

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.