Waarom een schuldgevoel? Het ontbreekt Miek aan niets | column

Maaike van der Plas

Het moest er een keer van komen, maar toch heb ik al wekenlang last van een schuldgevoel. Ik ga lekker een lang weekend fietsen in de Ardennen met mijn wielerclub en poes Miek mag niet mee. Mijn afwezigheid is haar niet helemaal vreemd – ik heb immers een baan –, maar langer dan acht tot twaalf uur is ze nooit zonder me geweest. Ik maak me zorgen dat ze me mist. Dat ze denkt dat ik haar heb verlaten en nooit meer terugkom. Of, erger nog, dat ze me vergeet en niet meer herkent als ik terugkeer.

Gelukkig hoeft Miek mijn vertrek niet in eenzaamheid te slijten. Ze gaat logeren bij mijn moeder en broertje; mijn vader behoort tot dezelfde wielerclub en maakt dus geen deel uit van de oppasploeg. Haar verblijf in mijn ouderlijk huis is zorgvuldig voorbereid. Aangeschaft voor Miek zijn een kattenbak, een drinkfonteintje, meerdere etensbakjes en zelfs een speelkleed. Overal liggen dekentjes waar ze op kan rusten. Ook is er een tipi met een zacht kussentje binnenin en een hangmat bij de achterdeur, zodat ze vogeltjes kan kijken vanuit haar luie stoel. Voordat ik op weg ga, zoek ik wat recensies op van de accommodatie waar we met dertig wielrenners gaan verblijven. ’Overal dode muizen en spinnen’, lees ik met enig onbehagen de tekst van een bezoeker een maand geleden. ’Ronduit smerig’. Ik put hoop uit een berichtje van vorige week: ’Slecht onderhouden en niet netjes!’, staat er. Met een beetje moeite ontdek ik daar een stijgende lijn in.

Eenmaal in de Ardennen staat mij allerlei ander leed te wachten. De eerste dag regenen we vier keer nat in een ritje van drie uur. Als verzopen katten keren we terug naar het huis. Na de rit krijg ik allerlei foto’s van poes Miek binnen: ze zit lekker in het zonnetje in de tuin, nadat ze is vertroeteld met nieuwe speeltjes en snoepjes.

De tweede dag rijden we honderdvijftig kilometer met tweeëndertighonderd hoogtemeters. Als het stijgingspercentage voor de zoveelste keer boven de twintig komt, zakt de moed me af en toe in de wielerschoenen. Mijn hartslag bereikt de honderdzevenennegentig slagen per minuut, mijn benen verzuren en af en toe is het zo steil dat mijn voorwiel even van de grond komt. Ik heb in tijden niet zo geleden. Tijdens de pauze krijg ik weer wat updates van het thuisfront: poes Miek heeft alle kastjes onderzocht (een grote hobby van haar) en ligt nu al een uur gelukzalig te slapen onder het logeerbed.

Nadat ik ternauwernood de koninginnenrit heb overleefd, sleep ik mij met mijn laatste krachten naar de eettafel. De pot schaft zuurkool. Mijn maag keert zich om. Tweehonderdvijftig kilometer verderop smikkelt Miek van haar lievelingskostje: brokjes in een saus met de smaak van zalm en forel.

Over twee weken ga ik op vakantie naar Spanje om daar een reeks gruwelijke ritten op mijn racefiets af te werken. Miek logeert weer bij mijn ouders. Ik vraag me af of we nog kunnen ruilen.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.