De Haarlemse joodse gemeenschap werd grotendeels weggevaagd

Synagoge van de Israëlitische Gemeente te Haarlem (1911). Gezicht op de Oostzijde met de Heilige Ark, aron hakodesj of aron ha-kodesj.
Haarlem

Het is 75 jaar geleden dat een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Voor deze krant een goede aanleiding om een verhalenreeks uit 1999 opnieuw te publiceren. Het betreft een driedelige serie over de ondergang van de Haarlemse joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Haarlem woonde ooit de grootste joodse gemeenschap van Nederland, op die van Amsterdam na. Tijdens de Duitse bezetting werden de joodse Haarlemmers massaal gedeporteerd, waardoor het vooroorlogse joodse leven zich na de Bevrijding niet meer kon herstellen. Dit is deel 1.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Liesje de Vries (1925) stond op 15 mei 1940 met haar moeder in een winkel in de Kleine Houtstraat in Haarlem toen ze de Duitsers voor het eerst zag. Vijftien jaar was ze. „Ze kwamen voorbij op motoren en legerwagens. Ik viel flauw, zo bang was ik.”

Van haar grootmoeder had ze gehoord over de rampspoed in Duitsland. „De redevoeringen van Hitler op de radio, de krantenberichten, dat maakte allemaal grote indruk op mijn oma. Ze vertelde over de pogroms in Polen en alle ellende waar de joden mee te maken hadden gehad. Dat was nieuw voor mij want mijn ouders zwegen erover. Ik wist er helemaal niets van.”

Liesje de Vries
© Kees van der Linden

Een halve eeuw na de jodenvervolging zijn in Haarlem de sporen van de joodse gemeenschap, die bijna tweeduizend leden telde, vrijwel uitgewist. De kantoren van de Nederlands-Israelitische Gemeente aan de Lange Wijngaardstraat hebben een nieuwe bestemming gekregen, evenals het voormalige joodse Jolesziekenhuis aan het Groot Heiligland. De monumentale synagoge aan de Lange Begijnestraat is uitgebrand en gesloopt.

Jodenbuurt

In tegenstelling tot Amsterdam, waar een jodenbuurt was, woonden en werkten de Haarlemse joden verspreid over de stad. Alleen de Barteljorisstraat telde flink wat joodse ondernemers: herenmode Mok, bontzaak Weil, juwelierszaak Kan en de sjieke lingeriezaak Palmbeach van Krieks.

Kosjere etenswaren waren te koop bij banketbakkerij Goud in de Jansstraat, slagerij Drilsma in de Kleine Houtstraat en de comestibelenzaak van Simons in de Schagchelstraat.

Ongeveer de helft van de Haarlemse joden was godsdienstig. De andere helft bezocht de synagoge zelden of nooit en hield zich niet, of louter uit gewoonte, aan de spijswetten. Zoals de ouders van Liesje, die aan de Cronjéstraat een huishoudwinkel hadden, de ’Amsterdamsche Bazaar’.

„We waren niet godsdienstig en gingen dus ook nooit naar sjoel”, vertelt ze. „Op de lagere school aan de Soendastraat werd ik af en toe uitgescholden voor vieze jodin. Alleen daardoor wist ik dat ik joods was. Maar wat dat inhield, daarvan had ik geen benul. Ik vond het ook helemaal niet leuk dat ik het was, want ik kreeg er niets voor terug. Religieuze kinderen hadden een joods bewustzijn, ik niet.”

Bettie Polak
© Kees van der Linden

Ook Bettie Polak (1921) was ongelukkig met haar joodse achtergrond. Ze woonde aan de Schotersingel; haar vader had een agentschap in herenhoeden, Borsalino’s.

„Mijn zusje en ik hielpen mijn vader wel eens. Dan moesten we grote pakken - niet zwaar hoor - sjouwen naar de achterkant van het station. ’O, moeten de joden weer geld verdienen?’, hoorde je dan zeggen. Joods-zijn kon me helemaal niet schelen. Maar ik vond het vreselijk dat ik een uitzondering was. Als ik uit school kwam, liep ik soms de Paterskerk aan de Nieuwe Groenmarkt binnen. Prachtig vond ik die. Al die beelden en die priesters in hun schitterende gewaden. Was ik maar rooms-katholiek, dacht ik dan.”

„Op feestdagen, twee keer per jaar, brachten mijn ouders een bezoek aan rabbijn De Vries, die aan de Bakenessergracht woonde. Al waren ze niet vroom, dat werd toch gedaan. En mijn moeder kocht vlees bij joodse slagers. Niet dat we kosjer aten, welnee, moeder bakte alles heel vrolijk in de boter. Als ik bij andere kinderen bleef eten, at ik alles mee, ook varkensvlees. Mijn moeder zei altijd: ’Als het goed is voor hun, is het ook goed voor ons’.”

Vromigheid

In de familie van Simon van Frank (1919) daarentegen ’wandelde de vromigheid rond’, zoals hij dat omschrijft. Vooral zijn moeder had een groot geloof, zelfs in de schrale crisisjaren, toen haar man zijn zaak kwijtraakte en als marskramer de straat op moest. „Als hij een zware dag achter de rug had, zei moeder altijd: ’Maak je geen zorgen, G’d zorgt’.”

Op het Stedelijk Gymnasium voelde Simon zich niet op zijn plaats. „Ik was sowieso niet op mijn gemak in een omgeving met alleen niet-joden. Niet dat de sfeer op school antisemitisch was, het lag aan mij, vermoed ik. Het kwam ook door het eten. Ik kon nooit bij vriendjes eten, zij wel bij ons thuis. Op zaterdag ging ik niet naar school, de anderen natuurlijk wel.”

Synagoge van de Israëlitische Gemeente te Haarlem (1911)

De synagoge naast het Concertgebouw was gebouwd in 1841, opgetrokken in neo-gotische stijl en voorzien van twee torens. In de smalle straat viel nauwelijks op hoe ruim het gebouw inwendig was. Binnen zorgden de witte muren en de grote vensters voor een lichte atmosfeer.

Bij invallend zonlicht kwam een witte Davidsster tevoorschijn in het donkere, gebrandschilderde glas boven de Heilige Arke, de opbergkast voor de thorarollen. Rondom het spreekgestoelte bevonden zich houten banken voor de mannen; de vrouwen zaten op de galerij.

Simon bezocht het rabbijnenseminarie in Amsterdam en kwam vaak in de Haarlemse synagoge. Hij herinnert zich nog de vaste plaats waar hij zat, vanwaar hij zijn grootmoeder kon zien. „Ze droeg altijd een grote zwarte strik in het haar.”

Tijdens de diensten ging het er streng aan toe. „Als iemand niet behoorlijk was gekleed of te veel zat te praten, gaf de kerkeraad een seintje aan een speciale toezichthouder, de pedel, die er dan op afstapte.”

Jaap Leuvenberg
© Kees van der Linden

De broers Jaap (1917) en Isaak (1920) Leuvenberg, zonen van een vrome weduwe aan het Frans Halsplein, kregen nogal eens te maken met deze toezichthouder.

Jaap: „Je herkende hem aan het zilveren schild op zijn jacquet en de hoge hoed waarmee hij paradeerde. Als we weer eens ondeugend waren, stond hij met zijn vinger naar ons te zwaaien.”

Zoals die keer dat Jaap tijdens de dienst zijn broer opzettelijk bezeerde, zodat die een pijnkreet niet kon onderdrukken. „Voor de banken bevonden zich lessenaars, waarin je je boeken kon opbergen. Ik zei tegen Isaak: ’Leg je hand eens hier’ en toen gooide ik zo pats die klep dicht.”

Isaak Leuvenberg
© Kees van der Linden

„De diensten waren stomvervelend”, herinnert Isaak zich. „Op weg naar sjoel haalde ik bij een grammofoonplatenzaak een blaadje waar platen in stonden die net waren uitgekomen en dat stopte ik dan tussen mijn Hebreeuwse boeken.”

Jaap: „Op feestdagen als Jom Kippoer liepen we naar de synagoge. Ja, we líepen, dat moest je wel voor je fatsoen. Maar we droegen geen pet, die lag in de vestibule van de synagoge op een plank. De vromen kwamen met de hoed op van huis af. Op het laatste moment kwamen we aanhollen. Bij het passeren van het hek, legden we een vlakke hand op ons hoofd, dan was het al bedekt. Binnen grepen we onze petten van de plank.”

Potentaat

De grote trekpleister in de Haarlemse synagoge was de chazzan (’voorzanger’), de corpulente Moses Petzon, begiftigd met een oorstrelende stem. In zijn kinderjaren was hij uit Oost-Europa gekomen; zijn uitgebreide repertoire dankte hij aan zijn geboortestreek. Erg godsdienstig schijnt hij niet te zijn geweest. ’God? Dat is een Sinterklaas voor grote mensen’, was een uitspraak van hem, weet Jaap de Vries (1914) zich te herinneren.

„Als een oosterse potentaat wandelde hij over straat; zijn vrouw sukkelde er altijd een metertje of vijf achteraan.”

Petzon kon heel klaaglijk zingen. „Je hoorde er de verdrukking in die de joden al de eeuwen hebben moeten doorstaan, hij smeekte God om hulp. Mijn moeder was vaak tot tranen geroerd.”

Voorzanger Mozes Petzon
© NIG Haarlem

Jongens en meisjes kregen vanaf hun twaalfde jaar les van Petzon, die joodse geschiedenis en Hebreeuws onderwees op het joodse schooltje in de Lange Wijngaardstraat. Kinderen van welgestelde ouders gaf hij privéles. Zo kwam de voorzanger ook thuis bij Jaap, wiens ouders een deftige porseleinwinkel dreven aan de Smedestraat.

„De eerste keer kwamen vader en moeder er bij zitten om te zien wat er gebeurde. ’Sigaartje, mijnheer Petzon?’, vroeg vader, en hij pakte twee sigaren uit de kast in de hoek. Petson schoof ze in zijn vestzak voor later. De week daarop waren mijn ouders er niet bij. Halverwege de les moest ik iets voorlezen van Petzon. Hij liep naar de hoek van de kamer. Ik zag hoe hij de kast opende en twee sigaren in zijn vestzak stak. Een geestelijke viel van zijn voetstuk; ik was verbijsterd. Ik heb het nooit aan mijn ouders durven vertellen.”

Rabbijn Simon de Vries
© foto NIG Haarlem

De spil van het joodse leven was ongetwijfeld rabbijn Simon de Vries, een imponerende verschijning met een lange grijze baard. Bijna vijftig jaar werkte hij in Haarlem. Als een van de weinige rabbijnen in het vooroorlogse Nederland was hij overtuigd aanhanger van het zionisme, het streven van joden een eigen staat te stichten in Palestina.

Elke vrijdagavond schreef de rabbijn een column in de Oprechte Haerlemsche Courant. Jaap de Vries - geen familie overigens - noemt hem ’bijzonder innemend, zeer geleerd en heel tolerant’. „Ook ten opzichte van joden die niet in de synagoge kwamen, iets wat je niet van alle rabbijnen kunt zeggen.”

Discussies

Het zionisme was onderwerp van heftige discussie binnen de gemeente; de aanhangers van assimilatie of emigratie konden fel tegenover elkaar staan. Jaap volgde menig debat in de woonkamer van zijn ouderlijk huis.

„Mijn moeder was zeer zionistisch. ’We worden hier slechts geduld’, zei ze altijd. Maar mijn grootvader geloofde niet in het zionisme. ’Jullie vergeten dat er nog Arabieren zijn en die zullen jullie ook niet accepteren’.”

Ook in de huiskamer van de voorzitter van de joodse gemeente, Barend Chapon, kwam het onderwerp ter sprake, herinnert diens dochter Selma de Casseres-Chapon (1912) zich. Chapon was een maatschappelijk betrokken man, die tal van functies vervulde, onder meer het voorzitterschap van woningbouwvereniging Tuinwijk-Zuid. Als Troelstra sprak in Amsterdam, nam hij zijn kinderen mee.

„Vader was geen zionist, hij dacht dat het socialisme een einde zou maken aan de verdrukking van de joden.”

Joodse bewustzijn

Haar broer Jules (1914): „Vader vond dat wéér een land erbij, alleen maar meer mogelijkheden schiep voor nog meer oorlog. Tijdens bijeenkomsten konden de rabbijn en hij flink tegen elkaar te keer gaan, maar ze bleven elkaar respecteren.”

De zionistische jeugdbeweging Macbi had grote aantrekkingskracht op zowel vrome als ongelovige joodse jongens en meisjes. Liesje de Vries was een van hen. „Ik voelde me er zeer thuis, daar kreeg ik het joodse bewustzijn dat ik van huis uit niet had meegekregen.”

De jongelui maakten fietstochten en hielden samenkomsten in een zaaltje in het Proveniershof. „Onder invloed van Macbi ging ik naar de joodse school. Ook kwam ik via de jeugdbeweging op vrijdagavond bij vrome joden te eten, zelfs een keer bij opperrabbijn Frank. Prachtig vond ik dat.”

Opperrabbijn Philip Frank
© Foto NIG Haarlem

Maar Bettie Polak voelde weinig voor Macbi, al was ze wel lid. „Ik wilde graag naar Palestina, daar zou ik geen uitzondering meer zijn. Maar met zijn allen de hora dansen op het Kopje in Bloemendaal, dat was niks voor mij. Ik hield niet van veel mensen bij elkaar, ik trok liever met mijn vriendin op.”

Elke week hield een van de Macbi-leden een spreekbeurt. Jaap de Vries, toen 14 jaar oud: „Mijn voordracht ging over ’joden en sport’. Ik was heel sportief, ik voetbalde bij HFC. Ik vond dat joden te weinig aan sport deden. Als oorzaken noemde ik de getto’s en het feit dat we geen atletische figuren hadden; over het algemeen vond ik joden klein en krom. Ik had het hele verhaal uit mijn hoofd geleerd, maar halverwege raakte ik de draad kwijt. Ik zie me daar nog zitten, zwetend, mijn handen geklemd om de houten bollen van de armleuningen van een grote stoel, onder een portret van Theodor Herzl.”

Messias

De leden van Macbi waren prominent aanwezig in de synagoge, waar de oudere generatie het voor het zeggen had. „Orthodoxe joden als mijn ouders zeiden dat je alleen naar Israel mocht gaan als de Messias op een ezeltje kwam aanzetten”, vertelt Isaak Leuvenberg met milde spot in zijn stem. Met zijn vriend Simon van Frank stelde hij zich recalcitrant op.

„Als we bepaalde zegeningen moesten uitspreken op het podium, deden we dat in het nieuw-Hebreeuws, dus volgens de uitspraak die gangbaar was onder de zionisten in Palestina. De kerkeraadsleden stonden ons dan aan te kijken met zo’n blik van ’wat doet de jeugd ons aan’. Maar rabbijn De Vries vond het goed.”

In de loop van de crisisjaren vestigde zich een aanzienlijke groep gevluchte Duitse joden in Haarlem. Op een nacht, vlak voor de oorlog, schrok Leo Worms (1918) wakker. Voor zijn ouderlijk huis aan de Oudeweg stopte een gesloten huifkar, op de bok zat een magere man.

Gevlucht

Leo liep naar buiten. „Hij stelde zich voor als een arts gevlucht uit Duitsland; zijn gezin zat in de wagen. Hij zocht het woonwagenkamp om de nacht door te brengen. Ik heb hem de weg gewezen. De volgende morgen tijdens het ontbijt vroeg mijn moeder: ’Hebben die mensen wel te eten?’. Dezelfde dag liet ze nog kruidenierswaren bezorgen op het kamp. Al snel kwamen deze mensen in moeilijkheden met de vreemdelingenpolitie, die hen doorstuurde naar kamp Westerbork, toen een opvangkamp voor joodse vluchtelingen.”

De Duitse vluchtelingen spraken niet gemakkelijk over wat ze achter de rug hadden. Liesje de Vries had een Duits vriendinnetje. „Haar vader maakte iets van leer, wat mijn vader dan weer verkocht in de zaak. Hij stuurde me naar dat meisje toe, want ze zat daar zo zielig alleen. Ze sprak nooit over wat ze had meegemaakt, ik vroeg er ook niet naar. Mijn ouders zeiden er ook niks over, waarschijnlijk vonden ze het te erg om het mij te vertellen.”

Angst

Roosje Gnesin-Herskovits (1912) vluchtte in 1939 uit Leipzig. Met haar aanstaande man sprak ze af naar Haarlem te gaan, waar haar schoonzusje met een Nederlander was gehuwd. Ze trouwden in de synagoge aan de Lange Begijnestraat, rabbijn De Vries zegende het huwelijk in.

„Toen ik net in Haarlem was, durfde ik op straat niet te praten, dat was in Duitsland ook zo geweest. Ik keek drie, vier keer om me heen voordat ik wat zei. Ik had angst, altijd angst. Ik sprak zelden over wat ik in Duitsland had gezien en meegemaakt, want ze geloofden me toch niet. Mijn Nederlandse zwager zei zelfs: ’Nou, dan zullen jullie het er wel naar gemaakt hebben’. Kwaad werd ik daar niet om. Ik was eerder teleurgesteld. De Hollandse joden dachten dat ze veilig waren. ’Ons zal niets gebeuren’, dat heb ik zó vaak horen zeggen.”

„De Duitse vluchtelingen werden niet serieus genomen”, weet Jaap Leuvenberg nog. „Er werd op hen neergekeken. Zo van: ’Ach, die Duitse joden moeten altijd maar Duits praten’. Het was eigenlijk anti-semitisme van de Nederlandse joden tegen de Duitse joden. De joden hier spraken bijvoorbeeld geen Jiddisch en waren veel meer geassimileerd. Ze voelden zich beter dan de vluchtelingen, die zo opvallend joods waren.”

Selma Chapon: „We dachten dat alleen de Duitse joden gevaar liepen, wij niet. Wij hadden toch ons koningshuis? In Nederland waren toch nooit pogroms geweest?”

Aan deze serie werkten mee in Israel: Liesje de Vries (Netanya), Bettie Polak (Dovrat), Simon van Frank (Hadera), Jaap Leuvenberg (Herzliya), Isaak Leuvenberg (Hajogef), Jaap de Vries (Netanya), Selma de Casseres-Chapon (Kfar Saba), Roosje Gnesin-Herskovits (Haifa), Abraham de Vries (Tel Aviv) en Victor Jacobs (Haifa). In Frankrijk: Jules Chapon (Saint Cyprien). In Nederland: Leo en Ro Worms (Heemstede), Lex Wolf (Heemstede) en rabbijn Shmuel Spiero (Haarlem).

Meer nieuws uit Haarlem

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.