Premium

Column Joyce van der Meijden: Agressie

Column Joyce van der Meijden: Agressie

Wandelen. Ik doe het in de buurt én op m’n hoede. Angstig om te worden overvallen door een niet waarneembaar bolletje met zuignappen. Er vallen doden door een virus dat eruitziet als een onontdekte planeet.

Ondanks mijn waakzame zintuigen word ik op een afstand van één centimeter gepasseerd door een hijgende hardloper in een felgeel jasje. Het blijkt geen uitzondering. Het lijkt wel of mensen in hippe sportpakjes denken dat regels worden verzonnen voor anderen. Want daar is de wielrenner. Een man wiens grijze manen onder zijn helm uit wapperen.

Hij racet met veertig kilometer per uur op te dunne banden over het pad dat überhaupt niet bedacht is voor lieden in te strakke broekjes met zeemleren lappen en schuim om hun mond. In het veel te intieme moment van passeren snijdt hij bijna mijn oor af met de rand van zijn telefoonhoesje. Dat ding dat om de een of andere onduidelijke reden altijd zit vast geklitteband op de bovenarm. Tot overmaat van ramp spuwt hij een fluim van jewelste voor me in het gras. Een mogelijke bermbom van het geniepige soort.

En daar zijn de rode vlekken. Voor mijn ogen. Het is dat ik klein van stuk ben, geen verborgen vaardigheden heb als kickboksen of Samjoko Tang Soo Do, maar vooral omdat ik gewoon te laat ben. Het zijn altijd de snelle sporters die zich boven de wet wanen. Ik krijg als RIVM volgende, gezagsgetrouwe wandelaar niet eens de kans om mijn frustratie te uiten door middel van een uitgestoken voet of door iets te werpen naar onze imaginaire viervoeter, een tak bijvoorbeeld die dan heel per ongeluk tussen de dunne wielerspaken terecht komt.

Ik was deze week drie uur onderweg om op tweeënhalve meter afstand in zijn tuin tegen mijn vader te schreeuwen, niet omdat hij iets verkeerds deed maar omdat hij niet zo goed meer hoort. In mijn reistijd luisterde ik naar de radio. En ergens, ik weet niet meer op welke zender, hoorde ik iemand vertellen dat je als brave burger de politie mag tippen wanneer je illegale samenscholingen van meer dan drie personen tegenkomt.

Zeker wanneer die lieden ook nog eens, alsof de tijd twee weken is teruggedraaid, frivool met elkaar staan te ellebogen. Het zorgde voor een rare kriebel in mijn buik. Zoiets voelt toch als dat braafste meisje van de klas, een tien voor vlijt maar nul vrienden. Ik begin dat meisje te begrijpen. Niet dat ik er nu iets mee kan. De snelheidsduivels met hun opgezwollen kuiten, met daarin spieren als kabels en kloppende blauwe aderen, zijn allang gevlogen.

Is dit nu belangrijk om op te schrijven? Nee! Kan ik niet beter iets liefs melden, bijvoorbeeld over de vrouw van een dementerende man die als vrijwilliger de administratie gaat doen in het zorgcomplex waar hij woont, zodat ze hem nog eens ziet? Jazeker. Want dat is liefde!

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.