Premium

Column Rob van Vuure: Ischa Meijer

Column Rob van Vuure: Ischa Meijer
Rob van Vuure.
© Archief

Op 14 februari 1995 overleed Ischa Meijer, vijf en twintig jaar geleden. ’Interviewer en beroepsprovocateur’. In alle kranten werd hij herdacht, er verschenen drie boeken over hem. Ik sprak hem twee keer heel lang, en twee keer heel kort.

Hij interviewde honderden mensen, bekenden, onbekenden, en sommige gesprekken werden legendarisch. Mart Smeets werd na zijn interview bijna ontslagen, hij noemde zijn baas ’een tiran’. Ga naar Google en toets ’Ischa Meijer/Bram Peper’ in. Je stuit op een komische eenakter.

Bram Peper, burgemeester van Rotterdam, werd samen zijn toenmalige vrouw Gusta geïnterviewd. Vrouw Gusta ging helemaal los. Ze werkte op een ministerie maar ’voor het lullige typewerk heb ik indertijd natuurlijk gelijk een assistentje genomen’.

Ischa Meijer wilde ook mij interviewen. Ik was hoofdredacteur van Libelle, indertijd het grootste blad van Nederland. De ’interviewer en beroepsprovocateur’ was geïnteresseerd in tijdschriften, wilde daar van alles over weten.

Ik bewaar de meest plezierige herinneringen aan het interview dat niet plaatsvond. Niét plaatsvond, dus, nóóit plaatsvond. Ik hield het af, het was bekend dat je tegen vakman Ischa meer vertelde dan normaal. Een van mijn voorgangers werd ooit door hem geïnterviewd, gevolg: bijna ontslag. Ischa Meijer zei tegen mij: ’Oké, doen we eerst een oriënterend voorgesprek’.

Prima. Maar in dat voorgesprek ging het al mis. Ischa tegen mij: ’Maar je maakt toch een blad voor provinciaaltjes?’. ’Nee’, zei ik meteen zeer nadrukkelijk, ’complete nonsens’. Als ik op dat moment alleen maar wat had gemompeld was de kop boven het verhaal al geboren. Aan het eind van ons ’oriënterende voorgesprek’ zei Ischa Meijer plotseling: ’Zo, prachtig, dit was het interview’. ’Nee, nee, néé!’ Het echte interview kwam er dus nooit van, bij latere rellen rondom Ischa haalde ik elke keer opgelucht adem.

Twee jaar later sprak ik hem weer, hij wilde interviews maken voor Libelle. Ik wist meteen: dat wordt vroeg of laat ruzie. Maar vooruit, ook hier een voorgesprek. Ik zei: ik vraag me af of je de juiste woordkeus hebt voor Libelle, of je je kunt inhouden. Ischa Meijer schreef het persoonlijke boek ’Hoeren’(Dat boek kreeg ik van hem, met de opdracht ’Van je slechte vriend’). Ik legde uit dat je in opiniebladen andere woorden gebruikt dan in Libelle of Margriet.

Dat dat nauw luistert, dat elk blad zijn eigen bladvocabulaire heeft. ’Voorbeeld, voorbeeld’, hijgde hij voorovergebogen. Het spitste zich toe op seks. In Viva beschrijf je het bedgedoe anders dan in Libelle. ’Aha’, zei Ischa gretig, ’dus het n-woord kan niet?’ Nee. Hij viel om van verbazing, bijna honend. ’En ook het k-woord kan dus niet?’ Nee. Hij zei meteen: ’Dus ’lul de behanger’ mag ik niet schrijven, dat moet dan zijn ’penis de behanger’? Dus ’kutsmoes’ mag ik niet schrijven, dat moet dan zijn ’vagina-smoes’?

Leuk Ischa, leuk. Ik vond dat ik groot gelijk had, nu nog zou elke krant of tijdschrift dat moeten doen. Een van mijn Libelle-voorgangers maakte in de 60-er jaren een lijst met ’verboden woorden’, veertig stuks. Ik erfde het memo en lees: ’Let op, sommige lezeressen voelen zich gekwetst door de woorden ’Jéminéjoosje’, ’Hemeltje Lief’ en ’Te drommel’.

Het interview met mij ging niet door. De interviews voor Libelle gingen niet door. Hij berustte. Daarna kwam ik Ischa Meijer nog twee keer tegen. In een café kwam hij op mij af en begon elke zin grijnzend met ’Te drommel’. Een half jaar later was het k-weer, drijfnat nam ik de tram. Opeens schalde door een overvolle coupé: ’Vindt meneer de hoofdredacteur het ook van dat vagina-weer?’

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.