Premium

Nic Snaas uit Schagen werd nummer 13231, gevangene in kamp Amersfoort

Het echtpaar Snaas uit Schagen op een foto uit 2015.
© John Oud
Schagen

Het is een briefje om kippenvel van te krijgen. ’Lieve ouders. Zoals u misschien reeds weet zit ik in het concentratiekamp en ga spoedig naar Duitsland.’ Zo begint Nic Snaas in juni 1944 een brief aan zijn ouders. Hij smokkelt het briefje kamp Amersfoort uit. Onderweg naar vliegbasis Soesterberg, waar hij dwangarbeid moet verrichten, drukt hij het een passant in de handen. Met het verzoek het naar zijn ouders in Schagen te sturen. Wonder boven wonder komt het briefje aan.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Nic Snaas bewaart het nog steeds. Ook enkele eerdere berichten komen aan in Noord-Holland. Waaronder het verzoek om een paar (gebruikte) hoge schoenen bij het kamp Amersfoort te bezorgen. Het lukt, op de een of andere manier. Tot grote vreugde van Snaas. „Ik was er erg blij mee, want met blote voeten moeten werken en lopen op klompen dat was heel erg.”

Het briefje dat hij in 1944 verstuurde bewaart Nic Snaas nog steeds.

Hij ziet met afgrijzen hoe slecht de Duitsers de Joden in het kamp behandelen. „Die moesten met grote voorhamers een bunker slopen. Heel zwaar werk. En ze werden niet zachtzinnig behandeld, dat zag je dan in de verte.” Het beeld van een Joods jongetje van een jaar of tien, dat met zijn moeder het kamp binnenkomt staat nog op zijn netvlies.

„Ze kwamen uit Den Helder meen ik. Ze zijn later ontsnapt. In het kamp gingen veel mensen dood. Of werden gefusilleerd. Die werden in grote kuilen gegooid. De Duitsers hielden iedereen voor dat je daar niet bij in de buurt moest komen, vanwege besmettingsgevaar. De moeder en dat jongetje hebben zich op een dag in zo’n kuil laten vallen. Toen het donker was zijn ze er pas uit gekomen. Je wilt niet weten hoe ze er toen uit zagen, maar ze zijn wel ontsnapt.”

Snaas beleeft een jaar na de bevrijding nog een bijzonder moment. Schipper Hoogschagen brengt totaal onverwacht zijn koffer terug, die hij bij het vertrekt uit kamp Amersfoort achter heeft moeten laten. „Hij was helemaal leeg.” Het kan Snaas niets schelen. „Ik heb heel veel geluk gehad en dat weet ik nog steeds.’’

Prachtige maan

Een prachtige maan verlicht het Oude Veer in Anna Paulowna. Het is 1948 en Nic Snaas en Anne Kuijs hebben het kermisgedruis even achter zich gelaten. Samen genieten ze van die maan. En van elkaar, want de vonk is inmiddels overgesprongen. Vergeten zijn alle ontberingen van de Tweede Wereldoorlog, die nog maar een paar jaar achter hen ligt.

Het leven lacht ze weer toe. „Het had net zo goed anders kunnen lopen”, zegt de inmiddels 97-jarige Snaas nu. „Ik heb een boel narigheid gehad. Maar ook veel geluk, want ik heb het overleefd.”

Het is voorjaar 1943 en Nic Snaas voelt dat het tijd wordt om onder te duiken. De Duitsers hebben hem op de korrel. Hij heeft ’wat dingen uitgevreten’. En vreest bovendien naar Duitsland te worden gestuurd voor de Arbeitseinsatz. Maar waar moet hij heen? Het zuiden, besluit hij.

In de Peel in Noord-Limburg is werk bij de Heidemij, heeft hij gehoord. Het is een hele reis, maar de jonge Nic Snaas komt veilig aan in Weert. Hij is een sterke kerel en de opzichter van de Heidemij neemt hem met plezier aan. Maar eerst onderdak regelen, zegt de opzichter.

Met twee lotgenoten loopt Snaas in mei 1943 op goed geluk een zandweg af. Ze kloppen aan bij de eerste de beste boerderij. Of ze plek hebben voor een onderduiker? Jazeker. Eén van hen mag blijven. Ook bij de tweede en derde boerderij is plek voor één gast.

Zoveel hartelijkheid, de mannen kunnen het haast niet geloven. „Het lot was ons gunstig gezind”, schrijft Snaas later, als hij zijn herinneringen aan de oorlog op schrift stelt.

Peelmans

Bij de boerenfamilie Verhoijsen is hij al gauw ’ons Nic’ en de Schagenaar voelt zich er thuis. Met moeder kan hij goed opschieten en ook Dorus, Piet, Bets, Drika, Ida en de rest van het gezin behandelen hem alsof hij een van hen is. Hij maakt vrienden in het naburige Asten. Peelmans, noemen ze hem daar liefkozend.

Hij wordt zelfs lid van de hockeyclub. Altijd lachen daar, fijn om de zinnen wat te verzetten. Dan worden de berichten over een op handen zijnde razzia van de Duitsers steeds hardnekkiger. Werken bij de Heidemij wordt te link. Snaas blijft op de boerderij van de familie Verhoijsen. Werken op het land, de defecte radio weer aan de praat krijgen: ook daar kan hij zich nuttig maken.

Tot het begin november 1943 begint te kriebelen. Op 9 november viert moeder Snaashaar verjaardag in Schagen. Daar moet hij bij zijn, vindt Nic. Hij zoekt het gevaar op, hij weet het. Maar hij gaat toch. Helemaal op de fiets vanuit Weert, dik tweehonderd kilometer trappen.

Verraden

Snaas komt veilig aan in Schagen, maar reizen wordt voor hem steeds gevaarlijk. Teruggaan naar de Peel? Hij stelt het steeds weer uit. Ondertussen doet hij allerlei klusjes. Eten regelen, brandstof voor het fornuis. Met een paar anderen steelt hij een paar bielzen van een oprit bij het spoor. Het spoor dat de Duitsers gebruiken om munitie aan te voeren. Het is waardeloos brandhout, maar beter dan niks.

In februari 1944 staan de Duitsers ineens voor de deur. Snaas is verraden. Door wie? Hij weet het nog steeds niet. Hij wordt afgevoerd, zijn vader ook. Na een nacht in de cel in de voormalige huishoudschool, waar het Duitse commando huist, mag vader Snaas naar huis.

Wel een koffertje kleren brengen voor je zoon, commanderen de Duitsers. Want Nic Snaas gaat op transport naar een gevangenis in Amsterdam. En daarna door naar het beruchte kamp Amersfoort. Zijn koffer gaat mee. Maar die is al snel voor de helft leeggestolen. De aankomst in het kamp is een ’verbijsterende ervaring’. Enorme prikkeldraadversperringen, broodmagere mensen, een en al ellende.

Nic Snaas op een foto uit de oorlogsjaren.

Snaas heeft een mooie kop met donker haar, maar daar maken de Duitsers korte metten mee. Zonder pardon vallen de golvende lokken ten prooi aan de schaar. De kleren moeten uit. Een oud uniform van het Nederlandse leger, dat is voortaan zijn dracht.

Kampnummer

Op de legerjas is zijn kampnummer genaaid: Nic Snaas uit Schagen is nu nummer 13231, gevangene in kamp Amersfoort. Hij herinnert zich het afmattende strafappel dat de wrede kampbewaker Joseph Kotälla met regelmaat houdt als er weer eens een gevangene ontsnapt is. Soms een dag lang staan. Ook in de stromende regen. Links en rechts vallen mensen bewusteloos neer. Ze worden later door hun medegevangenen naar de barak gedragen.

Regent het bij zo’n appel, dan blijft het legeruniform dat Snaas draagt nog dagenlang nat. Die Kotälla, dat is een wreed heerschap, zegt Snaas. Hij krijgt niet voor niks de bijnaam ’de beul van Amersfoort’.

Hij loopt, vaak met zijn hond, dagelijks door het kamp. Wie te dicht in de buurt is krijgt een schop of een mep. Soms tot de dood er op volgt. Leven wordt nu overleven, beseft Snaas. Zorgen dat je niet opvalt, houdt hij zichzelf voor. Is ergens commotie? Dan snel wegwezen.

(Video van Kamp Amersfoort:)

Thuis in Anna Paulowna heeft Anne Kuijs haar eigen besognes. Hoewel van liefde dan nog geen sprake is kent ze ’die jongen van Snaas’ wel. En krijgt ze op een gegeven moment ook te horen dat hij is opgepakt. Dat gebeurt ook de jongeman waar ze op dat moment mee omgaat.

Hij gaat op transport naar kamp Vught. Met een vriendin onderneemt ze nog eens de lange reis naar Brabant. Uren staat ze bij het kamp, in de hoop een glimp van haar geliefde op te vangen. Tevergeefs. In de polder van Anna Paulowna dringt de oorlog ook steeds meer door.

Een Duitse officier stampt zo het grote huis van de familie binnen. Het bevalt hem. ’s Avonds om zes uur moet de familie weg zijn, het huis wordt gevorderd. Moeder is in tranen. Het loopt goed af: uiteindelijk nemen de Duitsers hun intrek in een ander huis.

Koorts

In Amersfoort wordt Nic Snaas te werk gesteld buiten het kamp. Bomen rooien, geulen graven op de vliegbasis Soesterberg, camouflagenetten ophangen. Zwaar werk. Zeker als je moet leven op een homp brood en een kom waterige soep.

Vel over been is hij wanneer hij met hoge koorts in de ziekenboeg belandt. Daar werken gevangenen als verpleger. Zorg dat je koorts houdt, zeggen ze hem als hij opknapt. Anders ga je op transport naar Duitsland. Telkens als een Duitse officier controleert houdt Snaas de tip van de thermometer stiekem tussen duim en wijsvinger. Weer 39 graden koorts...

Anne Kuijs werkt in Anna Paulowna inmiddels in een Duits hospitaal. Daar liggen ook Duitse soldaten. Een van hen strijkt haar eens over haar mooie donkere haren. Ze verstijft. Hij heeft thuis een dochter die net zo oud is, zegt de Duitser dan met trillende stem. Het raakt haar diep. Ze realiseert zich ineens dat veel van deze soldaten ook maar gestuurd worden.

Wonder

In oktober gebeurt er in Amersfoort een wonder. Met vier anderen wordt Nic Snaas geroepen door de mensen van het Rode Kruis die in het kamp werken. Gewone kleren aan en meekomen. In een vrachtwagen worden ze het kamp uitgereden, naar Den Haag. Daar wacht ze een feestmaal. En hun vrijheid.

Waarom mogen ze weg? Hij heeft er nooit antwoord op gekregen. Wanneer hij zich later bij zijn zus in Heerhugowaard meldt, herkent die de broodmagere jongeman die op de stoep staat eerst niet eens.

Terug in Schagen pakt hij zijn leven weer op. Legaal, met ausweis. Na de bevrijding loopt Snaas alle feesten af. Anne Kuijs ziet hem op een fuif in Oudesluis, weet ze nog. Hij heeft een hoed op, want zijn haar is dan nog niet aangegroeid. Een paar jaar later in Anna Paulowna slaat de vonk over.

Op 30 december 1952 wordt Anne Kuijs officieel mevrouw Snaas-Kuijs. Nu zijn ze 97 en 95 jaar oud. En nog altijd staan ze samen voor het raam als de avond helder is en de maan vol. ’Moet je die mooie Oude Veermaan eens zien’, zeggen ze dan en denken terug aan die avond in 1948 in Anna Paulowna.

Nic en Anne Snaas toen zij zestig jaar waren getrouwd in 2013.
© Liset van Ravenzwaaij

Het echtpaar Snaas bezoekt trouw de herdenking van de bevrijding van kamp Amersfoort. Indrukwekkend, zeggen ze. Meneer Snaas heeft niet het idee dat hij een trauma heeft opgelopen door zijn tijd in het kamp.

De oorlog komt ook echt niet dagelijks ter sprake in huize Snaas. „Maar zo tegen die herdenking dan begint het wel altijd weer te borrelen”, zegt meneer Snaas. „Dan praten we er vaker over. En komen er soms ook ineens weer nieuwe herinneringen boven.”

„Het beeld ’De stenen man’ dat daar staat vind ik zeer indrukwekkend”, vult mevrouw Snaas aan. „Vooral toen ik het de eerste keer zag was ik erg onder de indruk.”

Het echtpaar heeft na de oorlog een bloeiende elektronicazaak opgebouwd, gevestigd aan de Gedempte Gracht. Contact met lotgenoten uit kamp Amersfoort heeft Snaas eigenlijk nooit meer gehad. „Daar was je toen niet zo mee bezig. Na de oorlog wilde iedereen eigenlijk zo snel mogelijk weer door met zijn leven.”

Meer nieuws uit Regio

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.