Tussen waarachtigheid en nep

Hanneke van den Berg

Een man verschuilt zich in een Amsterdamse hotelkamer. Hij verlaat zijn kamer alleen om de kranten op te halen.

Staat er iets in over hem, over een moord? En liggend op bed herbeleeft deze Theo Decker de veertien jaar die voorafgingen aan dit hotelverblijf. Vanaf dat moment voert Donna Tartt de lezer in haar nieuwe roman ‘Het puttertje’ mee in de tegenstellingen tussen kunst en kitsch, waarachtigheid en nep, kunst als oprechte troost of als kapitaal.

Toen hij 13 was, bezocht Theo samen met zijn moeder in New York een tentoonstelling van Nederlandse meesters uit de Gouden Eeuw. Vlak voor ze weggaan, loopt moeder nog even terug om een laatste blik te werpen op ‘De anatomische les’. Theo blijft achter in de laatste zaal. Meteen daarna vernielt een zware explosie een groot deel van het museum. In een pagina’s lange hallucinerende beschrijving van chaos, dood en verderf schildert Tartt hoe de jonge Theo in een opwelling een klein schilderijtje,

‘Het puttertje’ van Carel Fabritius, in een tas propt en wegrentzich een weg uit de puinhopen baant .Tot in detail beschrijft Tartt het leven van Theo en wat hem uiteindelijk in die hotelkamer bracht. Je kunt haar verwijten dat ze wel heel veel zijpaden bewandelt. Maar dankzij haar stilistische brille en Dickensiaans aandoende verteltalent is dat eerder een feest dan een straf.

Donna Tartt: Het puttertje. Vert. Sjaak de Jong, Paul van der Lecq en Arjaan van Nimwegen. Uitg. De Bezige Bij, €24,90

Vier sterren

Meer nieuws uit frontpage

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.