Ze is naar huis...

Marja van Spaandonk

Vandaag drie weken geleden. Zit ik bij mijn schoonmoeder. Ze is somber, dus heb ik mijn hond mee. Waar ze dol op is.

Ze knapt er ook van op. Voor even. En zucht dan: ’Ik wil naar huis’. ’U bent toch thuis’, reageer ik wat naïef. Mijn schoonmoeder is gelovig. En thuis is voor haar natuurlijk bij haar God in de hemel. Waar haar man op haar wacht. En twee van haar zonen. Naar wie ze erg verlangt. Verscheurd verlangen, want het zijn de levenden die haar op aarde houden.

Vandaag een week geleden. Help ik haar tas inpakken. Ze kijkt afwezig toe. Ziet even geen lichtpuntje meer. Bijna jarig, maar wil er in tegenstelling tot andere jaren niets aan doen. Er valt even niets te vieren. Ze wordt ter observatie opgenomen. En ziet huizenhoog op tegen de rit er naar toe. ‘Ik hoop dat ze een pilletje voor me hebben’, zegt ze tegen niemand in het bijzonder. En wrijft zenuwachtig in haar handen. ’Komt goed’, herhaal ik wel drie keer. Dat geloof ik ook.

Ik zoek twee pyjamajasjes uit. Er missen een paar knopen. En dat kan echt niet voor een vrouw die haar hele leven toonbeeld van proper en net is. ’Ik zet ze er wel aan’, beloof ik. Ze kijkt mij vragend aan. ’Ja, dan kan ik best hoor’, overtuig ik haar van mijn goede wil. Een lach breekt haar bevroren gelaat. ‘Ik zie je nog zitten met dat haakwerkje! Wat zat jij te zweten!’ Ik lach met haar en de herinnering mee. Ze heeft mij ooit leren haken.

Twee dagen later. Ga ik bij haar op bezoek. Ze zit in de ’huiskamer’. Een keurig gekapte dame staart uit het raam. Wacht op bezoek. Een oude man in rolstoel herhaalt steeds luid: ’Ja, ja, ja’. En beweegt zijn hoofd van voor naar achter, van voor naar achter, van voor naar achter.

Mijn schoonmoeder dommelt in haar stoel. Kijkt verschrikt op als ik haar zachtjes aanstoot. Ze moet van ver komen. Op tafel een vaas met gehaakte cupcakes. In felle kleuren. Ik pak er een en stop die in haar handen. Mooi, zegt ze en valt in slaap. Om weer angstig wakker te worden. Ze wil naar het toilet. Kijkt wat paniekerig om zich heen. Er is even niemand om te helpen. ’Ik ben er toch’, probeer ik een lach op haar gezicht te toveren. Lukt niet.

Als ik haar in de rolstoel help, lijkt ze van beton. Alle aanwezigen kijken hoe ik worstel. Gesprekken vallen stil. Alleen de oude man in zijn rolstoel herhaalt luid: ‘Ja, ja, ja.’ Ik onderdruk een driftbui.

Dan is het bezoekuur voorbij. Ik laat haar met zwaar gemoed achter. Weet dat ze naar huis wil. En dat ze bang is om te gaan.

Dagen daarna lijkt ze helderder te worden. Ze moppert zelf van niet.

Vrijdag een week later. Komt er zo’n telefoontje dat je niet wilt krijgen. Of we met spoed willen komen. Hoe we ons ook spoeden, we zijn te laat. Ze is alvast gegaan. Eindelijk naar huis.

Denk dat ik weer eens ga haken.

spaanders@gmail.com

Meer nieuws uit frontpage

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.