De Mainzer Beobachter als opiniemaker

Standbeeld van Multatuli in Amsterdam© Archieffoto

Hein Klemann

Op de dag dat de dominee van de Waalse kerk, Conrad Busken Huet, in 1862 zijn ontslag nam omdat hij zijn geloof had ingeruild voor een modern humanisme, verzocht het kerkraadslid Johannes Enschedé hem redacteur te worden van de Oprechte Haarlemmer Courant.

Dat was in die jaren een uiterst ouderwets dagblad. In zijn Camera Obscura beschrijft Hildebrand oom Stastok, die zijn zaken aan de kant heeft, en nu behoorde tot de mensen die zich, ‘met een vrij aardig inkomen, een onverzettelijke afkeer van stoommachines en de Haarlemsche Courant tevredenstellen.’ Conservatieve, rijke mannen lazen de Haarlemmer.

Busken Huet paste niet bij dit blad dat nog de regel kende dat slechts feiten in de krant thuishoorden. Meningen waren taboe. Als modernist, met een sterke literaire belangstelling, leerde hij in deze jaren Multatuli (Eduard Douwes Dekker) kennen. Die had in 1860 zijn Max Havelaar gepubliceerd waarin hij zich afzette tegen het koloniale beleid. Zijn hoop door zijn geschriften iets zouden veranderen, bleek evenwel een desillusie.

Multatuli keerde zich van Nederland af en vertrok naar Duitsland. Via Busken Huet wist hij een aanstelling bij de Haarlemmer te krijgen als schrijver van stukjes over Duitse gebeurtenissen. In de jaren 1866-1869 waarin Multatuli voor 50 gulden per maand (een aanzienlijk honorarium) zijn stukjes schreef, deed het door de autoritaire Bismarck geleide Pruisen er alles aan Duitsland onder Pruisische leiding te verenigen. Dwang, onderdrukking en geweld waren aan de orde van de dag. Multatuli, een man die bijna uit zijn voegen barstte van boosheid als hij met onrecht werd geconfronteerd, mocht echter slechts feiten opsommen.

Om de regels te omzeilen, bedacht hij dat hij zijn mening aan iemand anders moest toeschrijven. Dat werd de Mainzer Beobachter. Toen Pruisen eind 1866 dienstplichtigen opriep in enige maanden eerder ingelijfde gebieden, meldden Pruisische kranten dat er geen verschil te merken was met het gedrag van zulke jongens in vroeger jaren in nog onafhankelijke Duitse staten.

Volgens Multatuli spot de Mainzer Beobachter dan dat Pruisen ‘zelfs uit de brooddronkenheid van beschonken jongelui’ nog positieve ontwikkelingen weet te ontwaren. Uiteraard kwam het uit dat hij de kluit belazerde.

In 1989 werden in het archief van Enschedé, nu in het Noord-Hollands Archief, enige brieven van Multatuli gevonden. Daarin legt hij Enschedé uit dat het niet bestaan van de Mainzer Beobachter nog niet betekent dat er geen Beobachter – waarnemer – uit Mainz zou zijn die hem op de hoogte hield. Multatuli bleef tot hij in 1869 zelf ontslag nam verbonden aan de Haarlemmer, al mopperde hij later in zijn boek Ideeën dat er nooit een leugen in die krant heeft gestaan en dat was niet als compliment bedoeld.

Doordat thans via Delpher, een website van de Koninklijke Bibliotheek, miljoenen krantenpagina’s kunnen worden doorzocht, komt aan het licht dat Multatuli’s Mainzer Beobachter niet alleen de lezers van de Oprechte Haarlemmer bereikte, maar ook die van bijvoorbeeld de Delftsche Courant, de Middelburgsche Courant en Indische bladen als De Locomotief en de Java-bode, die zijn berichten gretig overnamen.

Meer nieuws uit Haarlem

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.