Sporen: Haarlem bleef de baas door een meter niets

Wim Wegman

Een van de grootste angsten van Haarlem was dat trambedrijven zware goederentransporten door de stad lieten denderen omdat dat toevallig even goedkoper was.

Op lokale lijnen kon ze dat soort vervoer zelf verbieden, maar over doorgaande lijnen had ze niets te zeggen, want die vielen onder het Rijk. En dus bedacht Haarlem in het begin van de tramtijd de ’meterregel’. Een tramlijn moest standaard één meter voor de gemeentegrens stoppen. Daarmee was het per definitie een lokale lijn en was doorgaand vrachtvervoer sowieso onmogelijk.

Een briljante voorwaarde. De trammaatschappijen waren er uiteraard minder blij mee. Niet dat ze stonden te popelen om zware goederentransporten door de krappe Haarlemse binnenstad te persen (hoewel de HSM die mogelijkheid wel graag zag voor trams uit Alkmaar). De maatregel stond vooral het doorgaande regionale personenvervoer in de weg.

Dat begon Haarlem in het begin van de twintigste eeuw ook steeds meer in te zien. De NZH had een grootschalige elektrificatie aangekondigd en het was raar om al die snelle trams een meter voor de stadsgrens te laten stoppen.

Eén van de Haarlemse raadsleden stelde in 1911 voor om bij een lijn naar Overveen een aparte concessie voor die ene meter af te geven. Mocht een tramlijn onverhoopt een doorgaande lijn worden, dan had Haarlem nog altijd zeggenschap over dat ene, cruciale stukje.

Leuk bedacht, maar dat kon dus niet. Haarlem ging in Overveen overstag. Maar een doorgaande naar Alkmaar hield ze met dat metertje mooi tegen.

Meer nieuws uit Haarlem

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.