Nederlandse armoede in Indonesië

Ad Heesbeen

Op de plattegrond van het voormalig ouderlijke huis van Ferdinand Jenkins (74) in Jakartastaat met pen geschreven. ‘In deze badkamer werd mijn vader afgeslacht’. De kaart ligt op een tafel in de ijssalon, die nog dateert uit de koloniale periode en waar de Nederlandse familie regelmatig een ijsje at. Terwijl de tranen over zijn wangen stromen, wijst hij naar de tuin op de plattegrond waar ‘vaders graf’ is getekend.

Jenkins was 6 jaar toen Indonesische onafhankelijkheidstrijders zijn ouderlijk huis binnenvielen. „Ze hadden lange zwarte haren, droegen bamboestokken en kapmessen”, weet hij zich nog te herinneren. Ze kwamen voor zijn vader, een matroos in dienst van het KNIL, het Koninklijke Nederlands Indische leger.

Het was augustus 1945. Toenmalig Nederlands-Indië was bevrijd van de Japanse bezetters. Voor de Hollanders was de oorlog nog niet voorbij. Er heerste anarchie. Indonesische revolutionairen probeerden de terugkeer van het koloniale bestuur, dat tijdens de Japanse oorlog was uitgeweken, met geweld tegen te houden. Nederlanders waren het doelwit van hun gruweldaden. De kleine Ferdinand zag hoe de Indonesische milities met één klap het hoofd van zijn vaders lichaam afsloegen. Het rollende hoofd vol bloed zit nog altijd op zijn netvlies gebrand.

„Niemand van de familie Jenkins is ooit nog over het traumatische verlies van de vader heen gekomen”, legt de Indonesische Josta Rumahlaiselan-Pattinama uit, bestuurslid van de stichting Halin. De stichting biedt hulp aan Indische Nederlanders in Indonesië. De inmiddels bejaarde Jenkins had volgens Rumahlaiselan-Pattinama als kind psychische hulp moeten krijgen. Na de eerste opvang liet het Rode kruis hem, zijn Indische moeder, jongere broer en zusje aan hun lot over.

Jenkins moeder wilde na de Japanse bezetting graag met haar kinderen naar Nederland. Een huis in Indië hadden ze niet meer; Indonesische milities hadden het in brand gestoken. Duizenden gemengde Nederlandse gezinnen vertrokken naar Nederland. Ze voelden zich niet langer veilig in de voormalige kolonie waar voor deze ‘landverraders’ geen plek meer was.

Jenkins jongere broer George (72) is inmiddels in de ijssalon aangeschoven. Hij kan zich nog herinneren dat hij samen met zijn moeder naar het consulaat van de Nederlandse ambassade in Jakarta ging om te vragen hoe zij de overtocht naar Nederland konden regelen.  Maar Nederland, na de Tweede Wereldoorlog in de fase van wederopbouw, probeerde de stroom Indische Nederlanders, voor wie niet allemaal een huis en een baan was, enigszins af te remmen. Wie geen geldige documenten had, kreeg geen visum.

Wraakacties

Jenkins moeder Lily Dumas was van Indisch-Franse afkomst. Ze trouwde met zijn vader volgens de Nederlandse wet. De drie kinderen die ze samen kregen, stonden ook als Nederlandse ingezetenen bij de burgerlijke stand ingeschreven. Maar door de Japanse bezetting en de wraakacties van de Indonesische milities, raakten zij net zoals verscheidene Indische Nederlanders hun officiële documenten kwijt. Moeder Jenkins had nog haar trouwboekje en enkele geboortecertificaten weten te redden. Die van George was zoek geraakt. Ferdinand Jenkins probeerde alsnog visa voor de familie te regelen. Hij vond een Nederlands kantoor dat reisdocumenten voor de overtocht regelde. „Het hoofd was beloofde onze papieren in orde te maken”, weet hij nog goed. Hij betaalde hem 2.000 gulden van zijn laatste spaargeld. Hij gaf hem alle documenten die hij nog had, inclusief het erekruis dat de familie van koningin Wilhelmina had ontvangen voor de bewezen diensten van matroos Jenkins. De man vertrok inclusief de papieren en het geld met de noorderzon.

In de nieuwe, onafhankelijke republiek Indonesië ging het met de broers bergafwaarts. Als gevolg van de oorlog hadden ze nauwelijks onderwijs gevolgd. Voor de twee blonde Hollanders lagen bij Indonesische bedrijven de banen niet voor het opscheppen. Ferdinand besloot zich, nu de weg naar Nederland was afgesloten, tot Indonesiër te laten nationaliseren. Hij vertelt dat hij echter nooit meer gelukkig werd. Hij scheidde een paar jaar geleden en is voor de tweede keer getrouwd. Hij heeft drie kinderen met wie hij op een dochter na moeizaam contact heeft. Met zijn nieuwe vrouw woont hij in de satellietstad Bekasi in een oude tweekamerwoning.

Lager wal

Met zijn jongere broer George liep het slechter af. Die raakte aan lager wal. Hij leeft als een zwerver op straat. Hij heeft de Nederlandse noch de Indonesische nationaliteit. George is een stateloos burger.

De broers Jenkins zijn niet de enige Indische Nederlanders die na de dekolonisatie gedwongen in Indonesië achterbleven en vervolgens in de armoede terecht kwamen. Volgens bestuurslid Josta Rumahlaiselan-Pattinama van de stichting Halin leven nog ruim zeshonderd Indische Nederlanders in Indonesië, die van een hongerloontje moeten zien rond te komen. Van Halin krijgen ze per maand omgerekend 40 euro.

De kinderen van de generatie Indische Nederlanders die de Japanse oorlog meemaakten, zijn inmiddels allemaal bejaard. „Ons hele leven beschouwen we Nederland al als een verloren paradijs”, vertelt Leny Kalshoven (75). Ze is de middelste van drie zusjes die de oorlog overleefden. Ze was 7 jaar toen ze met haar moeder en twee zusjes in een Japans interneringskamp verdween. Ze zag hoe een militair voertuig haar vader afvoerde.

Hard leven

Kalshoven kan zich het harde leven in het kamp nog goed herinneren. Er was nauwelijks te eten. Haar moeder was lichamelijk niet sterk en werd ziek. Dankzij haar oma, een Madurese vrouw die met mijn Duitse ondernemer was getrouwd, mochten moeder en dochters het kamp verlaten. „Mammie stierf drie dagen later. Mijn oma begroef haar in de tuin. Waar moest ze met het lichaam tijdens de Japanse bezetting naar toe?”, vertelt ze.

De jonge jaren van de drie meisjes is een aaneenschakeling van ellende. Na de oorlog overleed ook grootmoeder. Niemand wist waar hun vader was gebleven. Contact met de familie in Nederland was er niet. De meisjes kwamen in een weeshuis terecht. Ze bleven er acht jaar tot hun vader met behulp van het Rode Kruis zijn dochters wist op te sporen.

Mishandeld

Naar Nederland kon het gezin niet meer. Vader had zich onder druk van de Indonesiërs laten nationaliseren. „Nadat hij uit het Japanse kamp kwam, pakten de Indonesiërs hem op. Hij is erg mishandeld. Hij vader mocht in Indonesië blijven op voorwaarde dat hij zijn Nederlandse nationaliteit opgaf.”

De weg naar Nederland was voor het gezin Kalshoven afgesloten. Vader trouwde met een Indonesische vrouw. Zijn dochters konden nog twee jaar naar de Nederlandse school tot in 1949 Nederland officieel Indonesië als kolonie opgaf. De meisjes trouwden jong. Leny kreeg zeven kinderen van haar Indonesische echtgenoot. „Onze mannen hadden simpele banen. We leefden in armoede.” Ooit waren de drie dochters Kalshoven in rijkdom opgegroeid. „Mijn opa had fabrieken in Surabaya en ook enkele apotheken. Hij overleed in een Japans interneringskamp. We raakten alles kwijt”.

Verontwaardiging

De Nederlandse staat wenste geen financiële verantwoordelijk voor de Kalshovens te dragen tot grote verontwaardiging van Leny Kalshoven. „Mijn vader was als opzichter in dienst bij de Bataafse Petroleum Maatschappij, maar omdat hij zijn staatsburgerschap had opgegeven, kreeg hij geen pensioen of AOW.” Nadat de man van Kalshoven overleed en haar zonder geld achterliet, hoorde ze van de Uitkering voor Oorlogsslachtoffers. Ze vroeg de Stichting Halin haar te helpen. „Onze aanvraag werd geweigerd, omdat we niet kunnen bewijzen dat we in een kamp zaten, dat mijn moeder stierf vanwege de oorlog en dat we hadden gezien dat mijn vader door de Japanners werd afgevoerd.” Leny Kalshoven huilt nog bijna dagelijks om het verlies van haar moeder. Het meest voelt ze zich door haar vaderland in de steek gelaten. Na alle misère had ze verwacht dat de Nederlandse staat voor haar en de zusjes zou zorgen.

-------------------------------------------------------------------------------

Meer nieuws uit frontpage

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.