Oud-rechercheur Klaas Langendoen (IRT) over de risico’s van werken met een criminele infiltrant: ’Nooit meer doen’

Speurder Klaas Langendoen is tegen het inzetten van een criminele burgerinfiltrant. Foto Toussaint Kluiters

Jan Kuys
Haarlem

Het kan verkeren. Twintig jaar geleden traden ministers af, raakten korpschefs van politie hun baan kwijt en werden uitvoerende politiemensen publiekelijk ter verantwoording geroepen voor het inzetten van een criminele burgerinfiltrant tijdens de zogenoemde IRT-affaire. Twee decennia later noemt minister-president Rutte het inzetten van een criminele burgerinfiltrant ’van nationaal belang’.

,,Het heeft mij mijn kop gekost,’’ zegt oud CID-chef Klaas Langendoen van het IRT (Interregionaal Recherche Team. Dat team, bestaande uit opsporingsambtenaren van politie en justitie uit Utrecht en Haarlem, is in de jaren tachtig in het leven geroepen, omdat hun collega’s uit Amsterdam geen greep kregen op de zware georganiseerde criminaliteit van Bruinsma en co.

Het speciale nieuwe team moest belastende informatie vergaren. Dat deed het onder meer door het inzetten van een criminele infiltrant. Onder toezicht van het IRT importeerde die infiltrant grote partijen drugs. Door het spoor van de drugs te volgen hoopte het IRT voldoende informatie te krijgen om de bende van Bruinsma te kunnen oprollen. Een opsporingsmethode, die volgens Langendoen op dat moment overal en door iedereen werd toegepast.

Banvloek

De Amsterdammers beschouwden het oprichten van het IRT als een brevet van onvermogen voor hun eigen opsporingskwaliteiten. Zij kregen het gevoel hun werk niet goed te hebben gedaan en stelden het doorlaten van partijen drugs als opsporingsmethode publiekelijk aan de kaak. Toen waren de rapen gaar. Er kwam een parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van Maarten van Traa, die een banvloek uitsprak over het inzetten van de infiltrant en het doorlaten van drugs.

De ministers Van Tijn en Hirsch Ballin traden af, korpschefs van politie en officieren van justitie werden overgeplaatst en de hoofdrolspelers, de Haarlemse agenten Langendoen en Van Vondel van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID), moesten gedwongen de politiedienst verlaten.

Oorlog

Het was, zo herinnert Langendoen zich, oorlog in opsporingsland. De kritiek was ongenadig hard, waardoor betrokkenen soms niet alleen hun baan kwijt raakten maar ook op het persoonlijk vlak door onder meer echtscheidingen werden getroffen. Zelfs 20 jaar na dato voelen ze nog de gevolgen van de publieke afrekening.

Langendoen heeft inmiddels een eigen adviesbureau op het gebied, waarin hij vroeger als politieman een kei was. In opdracht van advocaten en andere belanghebbenden doet hij contra-onderzoeken als tegenwicht tegen al te eenzijdige presentaties van politie of justitie. Het zit hem nog steeds dwars, dat hij en zijn maat Van Vondel destijds de volle laag kregen, terwijl allerlei hoog geplaatsten binnen justitie buiten schot bleven.

Wat hem nog het meest verbaast is het pleidooi van het huidige kabinet voor het ’in uitzonderingsgevallen en onder strikte voorwaarden’ inzetten van criminele burgerinfiltranten. ’Nooit meer doen’, zegt Langendoen. ,,Een kabinet met daarin staatssecretaris Fred Teeven, destijds bij de Fiod (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) de grootste doorlater van drugs in Nederland, zou beter moeten weten.’’

Kroongetuige

,,Nederland is te klein om een infiltrant afdoende te kunnen beschermen. Neem de kroongetuige-regeling. Dat is een en al ellende over afspraken die wel of niet gemaakt zijn. Daar is in Nederland altijd discussie over en dus kun je niet de bescherming bieden, die nodig is. Alleen Amerikanen kunnen dat.’’

Langendoen illustreert dat aan de hand van de IRT-affaire. ,,Wij hadden afspraken over geheimhouding en bescherming tot op ministerieel niveau. Toen het spannend werd, heeft niemand het voor de uitvoerende mensen opgenomen. Niemand! Dat liedje gaat zich herhalen, als je nu opnieuw de criminele burgerinfiltrant invoert. Het inzetten van die infiltrant gaat of schade toebrengen aan de crimineel of slachtoffers maken bij de begeleidende politiemensen.’’

De door de wol geverfde ex-politieman vraagt zich af, waarom de politiek nu ineens met de criminele infiltrant op de proppen komt. ,,Er is achter de schermen blijkbaar veel kritiek op het openbaar ministerie,’’ stelt hij vast en memoreert het beruchte Liquidatieproces. ,,Waarom vraagt nu eens niemand hoeveel dat heeft gekost en wat het heeft opgeleverd?’’

Kwetsbaar

Tegenwoordig is justitie de baas over opsporing, dat mede als gevolg van de IRT-affaire strakker aan banden is gelegd. ,,Teveel mensen moeten nu de identiteit van een infiltrant kennen, omdat iedere baas van een baas op de hoogte moet zijn. Dat is een kwetsbaar systeem.’’ Langendoen bespeurt dat er veel minder dan voorheen met informanten wordt gewerkt. ,,Informatie is toch alles bij opsporing. Voor zover ik het nu kan bekijken gebeurt het runnen van informanten op niveau nauwelijks meer. Als je dat wel en goed doet, heb je in Nederland die criminele infiltrant helemaal niet nodig.’’

Hoewel hijzelf twintig jaar geleden na zijn ’ontmaskering’ als ’drugssmokkelaar’ - waarvoor hij overigens niet is vervolgd door justitie - nog riep dat de criminele burgerinfiltrant onmisbaar was in de opsporing, is hij daarvan nu teruggekomen. ,,Je kunt de verantwoordelijkheid voor het opsporen niet in handen van criminelen leggen. Er zijn genoeg andere manieren, maar de politiek dient eerst inzicht te hebben in hoe de opsporing functioneert. En zo’n kroongetuige-regeling evalueren. Dan pas zie je wat haalbaar is en wat niet.’’

Een criminele burgerinfiltrant hoort daar wat betreft Langendoen niet meer bij. ,,Als ze dit weer gaan introduceren, waarom ben ik dan in godsnaam mijn baan kwijtgeraakt?’’

Meer nieuws uit Haarlem

Net binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.