Bewegen helpt bij denken

Hoogleraar Bernard Hommel, actief op de sportschool. Foto Taco van der Eb

Ad Heesbeen

Na regelmatige fysieke inspanning zijn mensen tijdelijk beter in staat om dieper na te denken, blijkt uit onderzoek van het Instituut Psychologie van de Universiteit Leiden. Lichaamsbeweging lijkt goed te zijn voor het vermogen om flexibel denken en om op een creatieve manier oplossingen voor problemen te zoeken.

Wat gebeurt er wanneer mensen na lichaamsbeweging bepaalde ’denktaken’ moeten uitvoeren? Zou er bij de manier waarop zij dit doen verschil zijn tussen mensen die regelmatig sporten en personen die niet regelmatig aan lichaamsbeweging doen? Anders gezegd: wat is het effect van – regelmatig – bewegen op creativiteit en diep nadenken? Samen met een team onderzoekers was Bernhard Hommel, hoogleraar cognitieve psychologie aan de Universiteit Leiden, hier benieuwd naar.

Hommel, verbonden aan het Instituut Psychologie van de faculteit Sociale Wetenschappen, en zijn collega’s lieten twee groepen testpersonen verschillende taken uitvoeren terwijl zij op een hometrainer fietsten. De ene groep bestond uit mensen die vier keer per week aan lichaamsbeweging deden, de andere groep sportte niet regelmatig. Een van de taken bestond eruit dat zij bijvoorbeeld moesten opschrijven waarvoor een ballpoint zou kunnen worden gebruikt. Om te schrijven, voor het maken van een boodschappenlijstje, om mee te krassen of zelfs om iemand mee te steken. In vaktaal heet dit divergent denken: zoveel mogelijk toepassingen of oplossingen voor een probleem kunnen bedenken. Een andere taak voor de deelnemers was om bij drie verschillende woorden een vierde woord te bedenken dat aan alle drie de woorden zou kunnen worden toegevoegd. Bij de woorden ’tijd’, ’haar’ en ’uitrekken’, past bijvoorbeeld het woord ’lang’. In dit zogeheten convergent denken gaat het erom om één oplossing voor een probleem te zoeken.

Uit de tests blijkt dat mensen die regelmatig aan lichaamsbeweging doen bij de bovengenoemde woordentest beter scoorden dan niet-sporters.,,Zij waren beter in staat om de diepte in te gaan en om een probleem op een creatieve manier op te lossen’’, zegt Hommel. ,,Met name wanneer ze door de fysieke inspanning uitgeput waren, konden regelmatige sporters beter problemen oplossen dan mensen die niet regelmatig bewegen.’’ Dit komt, zegt hij, doordat mensen die niet vaak bewegen alle energie nodig hebben als zij zich lichamelijk inspannen. Dan blijft er weinig puf over om diep na te denken. Regelmatige sporters houden kennelijk wat meer energie over dan niet-getrainde mensen. ’In zekere zin zijn zij beter gewapend tegen mentale uitputting, en dus tegen stress. En hoe meer je gewend bent aan uitdagende situaties – zoals fysieke inspanning – hoe beter je daarin ook functioneert.’

Inspiratie

Als Hommel een algemeen advies zou moeten geven? ,,Als je te maken hebt met problemen die door diep nadenken zijn op te lossen, ga dan sporten. Maar wil je geïnspireerd worden? Dan kun je beter mediteren.’’ Lichaamsbeweging kan toch ook zorgen voor inspiratie? ,,Je kunt dat wel denken, maar het gaat erom hoe mensen zich voelen en hoe ze zich gedragen. Wat kevert die inspiratie op. Blijft het alleen bij woorden of gevoel, of leidt het ook tot daden?’

,,Stel’’, zegt hij, ,,dat je kunstenaar bent. Eerst heb je inspiratie nodig voor wat je wilt maken. Je brainstormt en bedenkt diverse mogelijkheden. Je krijgt een idee, maar dan moet je ook bedenken hoe je dit gaat uitvoeren: een oplossing voor een vraagstuk verzinnen. Daar komen ook wilskracht en doorzettingsvermogen bij kijken. Er zijn dus meer vaardigheden nodig om duurzaam creatief te zijn.’’

Wat er door lichamelijke inspanning in het brein gebeurt waardoor mensen dieper kunnen nadenken of juist minder diep, daarvan weet Hommel naar eigen zeggen niet genoeg om er veel over te zeggen. ,,Er is wel onderzoek gedaan, waarbij is gekeken naar bepaalde hersendelen die actief worden bij het uitvoeren van creatieve taken. Natuurlijk wordt het brein actief, maar wat zegt dit precies? We weten waar het geheugen zetelt, en dat de frontale hersenkwab een belangrijke rol speelt bij doelgericht gedrag, wilskracht en het nemen van beslissingen. Het is ook bekend dat dit hersendeel zeer gevoelig is voor uitputting, vermoeidheid en stress.’’

Ouder

,,De functie van dit gebied komt pas rond het 20ste jaar volledig tot ontwikkeling en verzwakt bij het ouder worden. Je ziet dan dat gedrag minder doelgericht wordt en oude, vertrouwde gewoonten sterker worden. Bewegen kost energie - zeker voor niet-getrainde personen – die anders naar de frontale hersenkwab zou gaan. Door regelmatig sporten verlies je door de lichaamsbeweging minder energie en blijft er meer over voor nadenken.’’

Hij vergelijkt dit proces met leren autorijden of fietsen: in het begin is dat heel moeilijk, later wordt het een automatisme.

Meer nieuws uit frontpage

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.