Onderzoek historie Nemo: bedrijven hadden veel invloed

Leonie Groen

De jeugd, de jeugd, de jeugd. In de hele geschiedenis van Nemo zijn er ouderen die erop hameren; de jeugd moet aan de techniek. Want: ’techniek is leuk’. Maar: ’hoe vertellen we dat?’

Die kwestie is volgens Gussenhoven de rode draad in de geschiedenis van het wetenschapsmuseum waarin het bedrijfsleven altijd een grote vinger in de pap had. Meer dan bij andere musea, meent Gussenhoven die weliswaar geen vergelijkend onderzoek heeft gedaan maar wel weet dat bij het techniekmuseum de bedrijven zich, de hele geschiedenis door, inhoudelijk druk maakten over exposities: ’We gaan het hebben over metaal, dan moeten we ook wat aan walsen en dieptrekken doen’.

Het techniekmuseum bestaat eigenlijk alleen bij de gratie van de makers en ’groupies’ die hun gezelschap trachten uit te breiden. Met steeds groter succes, want sinds ’we’ van science centers in Amerika leerden, en bij het Eindhovense Evoluon hebben gezien, dat ’doen’ het beste werkt in het museum, ging de populariteit van Nemo groeien.

Het museum werd destijds opgericht door Herman Heijenbrock (1871-1948), een heuse industrieschilder, zoals je ook landschap- en portretschilders hebt. Hij wilde zijn fascinatie voor industriële en technische processen met ’iedereen’ delen en organiseerde in 1923 al een eerste expositie in het Amsterdamse Stedelijk Museum.

Jaren later pas opende het Museum van den Arbeid de deuren in een leegstaand schoolgebouw aan de Rozengracht. De missie luidde letterlijk: ’het oproepen van waardering voor ondergewaardeerde arbeid en de waarde daarvan onder de aandacht brengen van kinderen en volwassenen, zodat er meer begrip ontstaat voor de grote arbeidersklasse’. Het museum liep in de beginjaren best goed.

Afkeer

In de jaren van de wederopbouw, toen de industrialisatie de motor was waar de economie op dreef, kreeg het museum als vanzelfsprekend een grondige facelift. En meteen ook maar een nieuwe naam: het Nederlands Instituut voor Nijverheid en Techniek (NINT). De missie ging nog iets verder dan waarderen: mensen moesten ’geholpen worden bij een keuze voor een studie en beroep in de industriële sector’. Dus kwamen er exposities over aardolie, metaal, elektronica, glas, keramiek, textiel.

En later was er aandacht voor het atoom, telecommunicatie, energie, het weer, video en synthetische materialen.

Maar populair? Niet echt. Het technologische uithangbord van Philips, het in ’66 geopende Evoluon in Eindhoven, bewees vanaf eind jaren zestig dat ’doen’ (experimenteren en demonstratiemodellen bedienen) veel meer aansloeg dan het houden van rondleidingen zoals in NINT gebruikelijk. Maar ook dat succes in ’de stad van meneer Frits’ was niet voor eeuwig. Alle techniekmusea kregen in de jaren zeventig en tachtig te maken met een afkeer van het grote publiek voor technologie.

Verdacht

Die was, vertelt Gussenhoven, ’verdacht’. Want schuldig aan een wereldwijde vervuiling. ’We’ moesten, zo vond ’de politiek’, wennen aan dat nieuwe ding, de computer. De wereld werd steeds complexer en het publiek moest dat allemaal maar zien bij te benen. Dus werden ’we’ in de jaren tachtig ingewijd in de geheimzinnig ogende barcode op de expositie ’In de greep van de streep’. ,,Ahold drukte een groot stempel op de tentoonstelling.’’ Dit gebeurde na 1983 in een nieuw onderkomen: de voormalige diamantfabriek in de Amsterdamse Tolstraat. NINT kwam met een plan - de oprichting van een science center als onderdeel van de herinrichting van het Oosterdok. Het kreeg de naam newMetropolis -wie herinnert zich die naam nog?- en opende in 1997 in het huidige gebouw. De oprichting was financieel gesteund door overheid en bedrijfsleven, de overhead steunde de exploitatie aanvankelijk niet. Evoluon was al een aantal jaren eerder ten onder gegaan.

Techniekmusea komen en gaan in golfbewegingen. newMetropolis was geen goed geoliede machine. Het kwam in de financiële problemen maar kreeg de kans op een doorstart onder de nieuwe naam Nemo, een verwijzing naar een niemandsland waar bezoekers in de huid kunnen kruipen van wetenschappers, technologen en technici. Volgens Gussenhoven is zeker onder directeur Michiel Buchel de band met de wetenschap enorm verstevigd. En meer dan ooit kan er gespeeld worden. Dat attractieve, educatieve recept werkt. Het huidige Nemo is op vier na het populairste museum in Nederland.

Maar wat de toekomst brengt? Nemo wil een techniekdependance openen in Amsterdam-Noord. Met steun van het bedrijfsleven. Gussenhoven zegt dat haar onderzoek een bijdrage kan leveren aan de keuzes voor de toekomst. ,,Wat mensen boeiend vinden blijft de hele geschiedenis door hetzelfde. Kijk naar het verleden en je weet wat je in de toekomst moet doen.’’ In elk geval meer doen dan rondleidingen geven.

Meer nieuws uit frontpage

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.