Siebelink liet zich verleiden door Franse literatuur

Jan Siebelink. Foto Frans Nikkels

Nanska van de Laar

Op de lange weg die Jan Siebelink (75) bereist om van zijn leven literatuur te maken, is hij met zijn grote roman ‘De blauwe nacht’ aangekomen in Parijs. „Mijn regio was eerst rondom de oevers van de IJssel. Velp, Arnhem, Lathum, Dieren. Tot ik er genoeg  van kreeg de trolleybus naar Musis Sacrum te noemen.  Daarna ben ik richting Den Haag gegaan, mijn vrouw is een Haagse.”

„’Vera’, ‘Het lichaam van Clara’, het zijn puur Haagse romans. En dus moest ik ooit in Parijs aankomen, want daar heb ik voordat ik in militaire dienst moest - ik werd laat opgeroepen - een jaar gewoond.”

Een vrijdagochtend in Ede. Het is vroeg. Het café-restaurant waar Jan Siebelink minstens één keer per week eet en waar een foto van hem en zijn grote vriend, kunstenaar Klaas Gubbels, in het hoekje bij hun vaste tafel hangt, is nog leeg. Met de koffie in  aantocht is hij voor zijn doen stil. „Ik zeg nog even niks”, daar laat hij het bij. Omdat hij weet hoe zo meteen de woorden zullen vloeien. Met passie zal hij vertellen over Parijs, dat weet hij. Hij zal bevlogen spreken over een jonge Algerijn die hem  in Parijs heeft bedrogen en die hij nu terugpakt in zijn roman. Over decadentie, over seks, over de held van zijn roman die zo veel van hem wegheeft en toch ver van hem afstaat.Ook zal hij zeggen dat hij nooit meer een boek zal schrijven. Maar dat dat boek dan over zijn moeder zal gaan.

Ideaal

En Jan Siebelink steekt van wal. „Al jong ben ik verleid door de Franse literatuur. Mijn vader was een heel kleine middenstander. Dan ging je naar de ULO als je een beetje goed kon leren. We moesten een gedicht opzeggen van Paul Verlaine. Toen werd ik  geraakt door de schoonheid en het mooie. Vóór de oproep van militaire dienst kwam, had ik al een jaar in Parijs gewoond. Ik wilde zo goed Frans spreken dat de Fransen niet konden horen dat ik een buitenlander was, dat was mijn grote ideaal.”

Via de ambassade kwam hij aan een kamer op de Cité Universitaire, aan de zuidkant van Parijs. „Maar niet in het Nederlandse huis, dat was vol. In het Algerijnse huis. Met een Algerijnse jongen op één kamer.”

In ‘De blauwe nacht’, de nieuwe roman van Siebelink, komt het allemaal samen. Begin jaren zestig werd Parijs geteisterd door willekeurige bomaanslagen van de OAS, een extreem-rechtse organisatie die zich tegen de onafhankelijkheid van - uitgerekend -  Algerijë richtte. Vaak waren terrassen het doelwit. Siebelink heeft meegemaakt dat een terras, waar hij kort daarvoor nog in een boek had zitten lezen, werd opgeblazen. „De krantenjongen schreeuwde ‘Boulevard de Sébastopol! Acht doden!’. Ik herkende het  terras op de foto op de voorpagina.”

Proefschrift

Over deze tijd gaat de roman. Hij voert Simon Aardewijn ten tonele, als Nederlander geaard in Parijs. De Algerijnse jongen die zo aardig leek, maar er met de spullen van Siebelink vandoor ging, is nu een terrorist. Aardewijn is bezig aan een proefschrift  over Joris-Karl Huysmans, de schrijver van ‘A rebours’, de bijbel van de decadentie, het boek ook dat begin jaren tachtig door Jan Siebelink werd vertaald. Aardewijn leidt een rusteloos leven. Jaagt schoonheid na, jaagt vrouwen na, viert het leven in de  stad, bezoekt prostituees, slaat geen verlokking af. Maar het proefschrift komt niet af.

Zo ging het ook met Jan Siebelink. „Ik zou gaan promoveren bij Sem Dresden op ‘SA rebours’ van Huysmans. Mijn grote onderwerp. Maar ja, ik had drie kleine kinderen. Ik had net ‘Nachtschade’ geschreven. Ik had hoogleraar Frans willen worden, een soort  ideaal.” Het kwam er niet van. Of nu, via een omweg is het proefschrift er alsnog? „Dit is een roman aan de hand van de roman van Huysmans. Ik denk, achteraf, dat de roman die hier geschreven is, de dissertatie is.”

Het is bijzonder om Jan Siebelink over Simon Aardewijn te horen praten. Er zit zo veel van hem in de hoofdpersoon. Levensdrift, passie, sensualiteit, onzekerheid, rusteloosheid. Maar hij kan Aardewijn ook van afstand beschouwen. „Ik kan hem ook in de  derde persoon zien, ja. Daar loopt die dubbelfiguur van mij. Ik vind hem een interessante man, moet ik zeggen. Omdat je niet precies weet wat hem bezielt. Hij is hartstikke intelligent.”

En overspelig. „De vrouwen komen op hem af. Tot het mis gaat. Met de laatste vrouw graaft hij zijn graf. Voor hem is dat het onontkoombare. Hij voelt zich vaak schuldig, maar daar redeneert hij overheen. Waarom zou ik zo’n vrouw laten lopen?, denkt hij.”

En zijn antwoord op die vraag? „Het is de diepste angst van de man om er niet meer te zijn, om dood te gaan. De oprisping is alles mee te maken wat te pakken valt. Ik mag hem. Hij is verwerpelijk, maar ik koester hem wel. Schrijvend viel ik van de ene  verbazing in de andere. Aan de ene kant heeft het boek niets met mij te maken en aan de andere kant alles. Dit boek is mij niet overkomen. Maar in zekere zin ook weer wel.”

Decadente kant

Met ‘De blauwe nacht’ sluit Jan Siebelink de Franse, decadente kant van zijn oeuvre af. Waar de calvinistische lijn die begon met ‘Witte chrysanten’ culmineerde in ‘Knielen op een bed violen’, zo eindigt de Franse lijn die werd ingezet met ‘Een lust voor  het oog’ hier in ‘De blauwe nacht’. Hier is iets afgerond. Hij knikt. „Dit zal dan ook wel mijn laatste grote roman zijn, vrees ik. Het is een complex geheel. Ik ben bang dat ik het niet allemaal meer kan overzien, alle lijnen die bij elkaar moeten komen. Dit heeft veel strijd gekost.”

Hij zwijgt. De stilte in het café wordt door niets verstoord. „Of ik ga toch nog iets moois over mijn moeder schrijven. Zij is dienstmeid geweest bij een oom in Dieren. Die oom is van haar gaan houden. Hij heeft haar zelfs een keer meegenomen naar  Wimbledon om naar het tennissen te kijken. Later leerde ze de man kennen die mijn vader zou worden, toen heeft ze moeten kiezen. Ik zag ze ooit samen in de serre zitten. Wat ik nog helder voor me zie, is de blik van mijn oom op mijn moeder. Die blik,  daar zit je dan toch over te fantaseren. Ik moet het wel doen, schrijven. Of moet ik het niet doen, wat vind je? Ik moet toch iets doen.”

Jan Siebelink: De blauwe nacht. 320 pagina’s, 19,90 (gebonden). De Bezige Bij.

Meer nieuws uit frontpage

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.