’Historische kennis schiet tekort’

Tomas Ross: ,,Echtgenoot zijn van een kroonprinses was voor Bernhard onvoldoende.’’© foto Cris Toala Olivares

1 / 2
Bertjan ter Braak

Er zijn zaken die schrijver Tomas Ross bovengemiddeld boeien. Geschiedenis, natuurlijk, prins Bernhard in het bijzonder en tijden van chaos. Want daarin kan hij zich uitleven met complottheorieën. Zijn nieuwe roman, ’De onderkoning van Indië’, zou er model voor kunnen staan.

Het is een stralende dag, vroeg in het nieuwe jaar. Op het Museumplein drentelen groepjes toeristen van museum naar museum en om de hoek, in de straat waar De Bezige Bij zetelt, heerst een statige rust. Eenmaal binnen is dat al gauw heel anders. Want waar Tomas Ross (zijn echte naam is Willem Hogendoorn, 1944) is, daar is al gauw reuring.

Grappen

Kwikzilverachtig, grappen en opmerkingen makend gaat hij voor naar het zaaltje waar we elkaar gaan spreken. Asbak in de hand, want met Remco Campert is hij de enige die hier mag roken. Breed gebarend, met felle blikken vanonder de borstelige wenkbrauwen zijn betoog kracht bijzettend, steekt hij van wal.

Onderwerp van gesprek zijn de eerste naoorlogse jaren. „Chaos, ja”. Ross spreekt het woord uit alsof hij iets heel lekkers proeft. „Veel onduidelijkheid, zowel in Nederland als in Indië. Een vacuüm was er, waarin men niet goed wist waar het heen zou gaan.” Een kolfje naar des auteurs hand. Eerder al, in ’Van de doden niets dan goeds’, dat het eerste deel van een trilogie is, bracht hij met name de toestand in Den Haag in die jaren in beeld. Nu, in deel twee – ’De onderkoning van Indië’ – doet hij dat andermaal, aangevuld met een episode in Indië.

In zijn roman, waarin Ross zoals gebruikelijk werkelijkheid en fictie vermengt, is een rolletje weggelegd voor de schoonzoon van de koningin. Ross schiet in de lach: „Bij mij weet je dat ’t weer prins Bernhard wordt. Maar ik schrijf over hem alléén dingen die hij daadwerkelijk heeft gedaan. De verzinsels overkomen de fictieve figuren, die kunnen van alles doen. In het voorjaar van 1947 ontkom je ook niet aan hem, met zijn belangen en contacten in het bedrijfsleven. Een ijdele, naïeve man met verkeerde vrienden, in te palmen met vrouwen, snelle auto’s en uniformen. De Amerikanen hebben hem zonder meer gebruikt.”

Soestdijk

Trekkend aan weer een sigaret beschrijft hij wat er in de tuinen van Soestdijk gebeurde: „Daar stonden rupsvoertuigen en wat al niet. Er waren na de oorlog heel veel wapens in Nederland en prins Bernhard handelde daarin. Hij was altijd bezig met dealtjes.”

De prins, zegt Ross stellig, zocht een positie. „Echtgenoot zijn van een kroonprinses was onvoldoende. Zo heeft hij na de Greet Hofmans-affaire getracht regent voor Beatrix te worden. En hij had in de oorlog de Nederlandse regering wel van Londen naar Batavia willen verhuizen. Maar daar heeft Wilhelmina een streep door gezet; zij vond het daar te heet en had vliegangst.”

Ross betreurt telkens weer het gebrek aan historische kennis onder Nederlanders. „Tegenwoordig weet vrijwel niemand meer wat Linggadjati was! Dat wordt niet meer geleerd op scholen. Treurig is dat.”

De overeenkomst van Linggadjati is tekenend voor die jaren. In het West-Javaanse bergdorp werd eind ’46 overeengekomen dat Indië een federatie zou worden onder Nederlandse leiding. Soekarno, die in 1945 al de Indonesische onafhankelijkheid had uitgeroepen, tekende ook. „Je moet je de situatie daar voorstellen. Nederland was nog doende om er troepen heen te krijgen. Er waren nog steeds Japanners, die zorgden voor de wetshandhaving. De bloedige bersiap-periode was in naam wel voorbij, maar er werd nog steeds gemoord en verkracht. Types als kapitein Westerling hielden er huis. Die was trouwens in Londen adjudant van Bernhard geweest.”

In die roerige tijd wordt – en dat is dan weer fictie – een versleutelde boodschap gestuurd, met de woorden ’3 mei in Garoeda’, ’viceroy’ en ’Ali Baba’.

Ross glimlacht. „De OSS, voorloper van de CIA, deed dat echt zo, een boodschap in morsecode onder jazzmuziek.” Garoeda dus, en daarmee Den Haag, waar het restaurant nog steeds bestaat op de Kneuterdijk. Voor held Arnie Springer en zijn baas baron Verschuer begint een gevecht met de tijd tegen de communisten Rosa Maring en Joop Swart (want wie is die ’viceroy’, die onderkoning?), waarin Ross los kan gaan. „Met hen wel ja, dat zijn bedachte figuren. Zo kan ik van alles aanstippen dat anders te veel zou zijn om uit te leggen.”

De altijd spittende en zoekende Ross weet ook onschuldiger details een plekje te geven in het boek. Zo beschrijft hij het stoffige interieur bij minister Drees thuis.

„De loper in de gang aan de Beeklaan had zijn vrouw meegenomen uit hun vorige huis aan de Van Bleiswijkstraat. Al danig versleten en bijgesneden zodat hij paste.”

Meer nieuws uit HD

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.