Zwanenzang

Zwanenzang

Ooit zwegen we en klaagde niemand over honger in de rust. De wedstrijd was nog niet gespeeld of we verloren.

Hetzelfde nu anders, want gezakt in het schemergebied tussen oorlog en degradatie, onderste regionen.

Gaan we proberen dat kunstje alsnog te flikken. Afmaken wat is blijven liggen, de klus. Zijn we eens allemaal de Verlosser geweest of hadden hem willen zijn.

Waar wordt gejaagd, vijandelijk terrein veroverd, scheenbeen gestrekt voor de stuit. Klapt de schaar dicht, een-tweetje doormidden.

Tirade van de coach uit een mist van verre jaren. Geschoffeld onder de zoden maken die gasten in één tijd vier tegendoelpunten. Met de oostenwind waaien vliegtuigen mee, maar wie luistert en ziet.

Daar schudden de bomen hun kaarten - herfst op het biljart. Welke zot liet hier de krijtlijnen kronkelen? Laatste kans, laatste carrière. Wat ontbrak was scoringsdrift, zo eigenzinnig het rood voor ogen en een door poldergras opengereten sliding. Zwaai hoog. Niet jij scheids!

Hou je kop, want waar twee ego’s vechten loopt een derde heen. Was geknakt het vooruitzicht ooit beter te worden.

Hoor, hoe mijn zwanenzang.

Gedragen brancard van het veld. En alsmaar knaagt de honger, naar de bal, steeds meer.

Schei uit, je bent Ajax niet, wie denk je wel wie je was, wie je had kunnen zijn, nog voor het eerste eindsignaal.