90 procent heeft halfjaar na coronabesmetting nog antistoffen

De overgrote meerderheid (90 procent) van de mensen die besmet zijn geweest met het coronavirus, had een halfjaar later nog steeds antistoffen tegen het virus in het bloed. De antistoffen worden na verloop van tijd bovendien sterker, waardoor er minder van nodig zijn om hetzelfde werk te doen. Die conclusies trekken onderzoekers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op basis van een groot lopend onderzoek naar immuniteit tegen het virus.

Antistoffen vormen een natuurlijke afweer van het lichaam tegen virusinfecties. Ze zorgen ervoor dat het lichaam het virus als indringer herkent en kan opruimen.

Bij Sars-CoV-2 is nog niet helemaal duidelijk in hoeverre mensen die ooit besmet zijn geraakt met het virus er daarna tegen beschermd zijn, en voor hoe lang. Inmiddels zijn wel al veel voorbeelden beschreven van mensen die voor een tweede keer besmet zijn geraakt.

Betere bescherming

"Over het algemeen geldt dat hoe meer antistoffen er in het bloed zitten, hoe beter het lichaam is beschermd tegen een virus", legt het RIVM uit.

Het RIVM onderzoekt iedere paar maanden met een steekproef onder duizenden mensen hoeveel van hen antistoffen tegen corona in hun bloed hebben. Bij de laatste ronde, in september en oktober, zijn zo'n 6500 bloedmonsters onderzocht. Van de deelnemers had 4,9 procent antistoffen tegen Sars-CoV-2 in het bloed. "Dit bloed is grotendeels voor de piek van de tweede golf afgenomen", schrijft het instituut. Intussen is het percentage waarschijnlijk alweer fors hoger.

Van alle leeftijdsgroepen hebben jongvolwassenen (20-30 jaar) het vaakst antistoffen in hun bloed: zo'n 10 procent.

Meer nieuws uit Binnenland

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.