Middeleeuwse steden vaak verwoest door vuur

Archief
Schoolplaat van een middeleeuwse stad

Het Noorse Trondheim, een houten stad, bleek bij een rondleiding mooi, maar er viel toch weinig authentieks te bewonderen. Alleen de kathedraal had de eeuwen getrotseerd. Die was dan ook van steen.

Het is het lot van houten steden dat zij regelmatig door brand worden getroffen. Ook in onze streken bestonden steden lange tijd uit dicht op elkaar gebouwde, rietgedekte, houten huizen voorzien van open vuur en verlicht met olielampen, kaarsen of fakkels.

Als er brand uitbrak was er zeker met de toenmalige blusmogelijkheden, geen houden aan. Pas in 1664 werd een voorloper van de brandspuit uitgevonden, maar veel meer dan een handpomp met een bak water was dit niet. Verder moest er met emmers worden geblust. Een brandspuit waarmee grachtenwater kon worden opgepompt, werd pas in 1677 uitgevonden.

In een middeleeuwse stad kon een brand alles verwoesten. Veelal doofde het vuur pas als de stadswal of een rivier werd bereikt. Alleen stenen gebouwen hadden een kans, maar dat waren uitzonderingen.

Van het veertiende-eeuwse Haarlem wordt vermeld dat het in 1328, 1347 en 1351 telkens grotendeels door brand werd verwoest. Uit andere informatie blijkt dat de verwoesting van 1351 niet de hele stad trof. Niettemin was de schade groot. Zelfs de St. Bavo overleefde de 14e-eeuwse branden niet. Ook daarna hielden branden aan. In 1470 was er weer een grote brand in de Bavo en in 1493 brandde een tiental huizen af.

In de dertiende eeuw was de in onze streken verloren gegane techniek van het maken van baksteen door monniken uit Zuid-Europa geherintroduceerd. In een gebied waar natuursteen ontbrak maar de zee en rivieren volop klei aanvoerden, was dit bouwmateriaal een veilig alternatief.

De oorspronkelijk houten huisjes aan een hofje als dat van Bakenes uit 1395 zijn in de zeventiende eeuw in steen herbouwd. Dat overbouwen van hout of riet naar steen gebeurde wel meer. Baksteen was in het begin nieuw, duur en schaars. Maatregelen die het bouwen in baksteen en het bedekken van de daken met pannen bevorderden of afdwongen, gaven Haarlem en andere Hollandse steden geleidelijk een ander, tot op heden herkenbaar karakter.

De kaarten die Jacob van Deventer rond 1560, na de verstening, van Haarlem en vele andere Hollandse steden tekende, zijn daardoor nog steeds bruikbaar voor wandelingen door de oude binnensteden. Rotterdam, in 1940 verwoest, is de grote uitzondering.

Dat verstening geen afdoende oplossing was, bleek uit het feit dat een onvoorzichtige soldaat op 22 oktober 1576 nog een brand kon veroorzaken in een brouwerij bij de Waag, waarbij een kwart van de stad in de as werd gelegd. Bijna 450 huizen, de Gangolfkerk op de huidige Botermarkt, het St. Elisabethgasthuis, het Brouwershofje en een klooster in de Barrevoetestraat gingen verloren.

Ondanks de belabberde blusmogelijkheden was zo’n brand toen al uitzonderlijk. Op het platteland, waar hout en riet nog gangbaar waren, bleef brand een groot gevaar. Noord-Schalkwijk, vlak buiten de poort, brandde nog in 1628 helemaal plat. Daarbij gingen zo’n honderd huizen en het nodige vee verloren.

Uit de tijd is een historische rubriek van de Haarlemmer Hein Klemann, hoogleraar economische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit.



Reageren

Reageer op dit artikel

Draag bij aan dit artikel
Stuur een tip
Stuur een video
Stuur een afbeelding
Stelling

Goed dat Panopticon de Koepelgevangenis mag kopen

Wat betreft het Haarlemse college van B en W mag de stichting Panopticon de nieuwe eigenaar van de Koepelgevangenis worden. De gemeente wil daarom de Koepel van het Rijk kopen en daarna meteen doorverkopen aan Panopticon. Die stichting wil hier onder meer een University College vestigen, hoewel daar nog steeds geen kandidaat voor is gevonden. Toch is het een goed voorstel om de Koepel door te verkopen aan Panopticon.

Stelling
Zoek een serieuze relatie in jouw omgeving